Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
09-6068 WWB-T + 09-6069 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening en intrekking bijstandsuitkering over verschillende perioden. De kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van de stichting, kunnen aangemerkt worden als inkomsten van appellanten over de maanden waarin de stortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Het College heeft zich ten onrechte bevoegd heeft geacht de bijstand over de periode 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 te herzien door de maandelijkse inkomsten toe te rekenen aan deze gehele periode en de bijstand over de periode van 22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007 op dezelfde grond in te trekken. De Raad draagt het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6068 WWB-T

09/6069 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats] (België),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2009, 08/1323 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Kleine, advocaat te Emmen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Kraaikamp, werkzaam bij de gemeente Baarn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en

omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. In juli 2007 heeft onderzoek uitgewezen dat appellanten bij de Kamer van Koophandel staan ingeschreven als zelfstandig ondernemer. Deze informatie was voor het College aanleiding het recht op bijstand van appellanten met ingang van 18 juli 2007 op te schorten. Bij de Kamer van Koophandel staan appellanten sinds 27 maart 2006 geregistreerd als voorzitter (appellant) en penningmeester (appellante) van de [Stichting]. De secretaris van de stichting is [K.]. De stichting heeft in het bijzonder als doelstelling het verlenen van hulp aan arme of behoeftige mensen wereldwijd en het samenwerken met andere hulporganisaties inzake het bestrijden van armoede in de wereld en het verbeteren van de leefomstandigheden. Naar aanleiding van het verzoek van het College om alle bescheiden met betrekking tot de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de administratie van de stichting over te leggen, hebben appellanten de statuten van de stichting, afschriften van de bankrekening van de stichting en een schriftelijke toelichting van appellant van de inkomsten en uitgaven van de stichting verstrekt. Vervolgens heeft het College bij brief van 3 oktober 2007 appellanten verzocht de afschriften van de bank- en/of girorekeningen van henzelf en hun kinderen over de periode vanaf maart 2006 en het kasboek van de stichting tijdens een onderhoud ten kantore van de sociale dienst op 8 oktober 2007 over te leggen. Aan dit verzoek hebben appellanten geen gehoor gegeven.

1.3. Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 18 juli 2007 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat niet kan worden vastgesteld of zij nog in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren vanwege hun werkzaamheden binnen de stichting. Bij dat besluit is tevens de bijstand van appellanten over de periode van 6 juni 2006 tot en met 17 juli 2007 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij via de stichting inkomsten hebben ontvangen, waarover zij geen verifieerbare gegevens hebben verstrekt. Bij besluit van 7 november 2007 heeft het College het besluit van 18 oktober 2007 in zoverre gewijzigd dat de bijstand wordt herzien dan wel ingetrokken over de perioden van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 en van 22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007. Bij het besluit van 7 november 2007 heeft het College tevens de over de genoemde twee perioden gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellanten geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 7 november 2007, waarbij de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 en van 22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007 van appellanten zijn teruggevorderd en dat het besluit van 15 april 2008 geen betrekking heeft op de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand.

4.2. De Raad oordeelt ambtshalve dat, gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te beoordelen of het College bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand van appellanten. De Raad ziet reeds hierin, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

4.3. De Raad begrijpt dat het College, gelet op de toelichting die zijn gemachtigde ter zitting van de Raad heeft gegeven, de bijstand van appellanten over de periode van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 heeft herzien en de bijstand over de periode van

22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007 heeft ingetrokken. Het College stelt zich op het standpunt dat de kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van de stichting zijn aan te merken als inkomsten omdat controleerbare en verifieerbare gegevens over herkomst en doel van die bedragen ontbreken, dat sprake is van een zodanige verstrengeling van de stichting en appellanten dat deze inkomsten aan appellanten moeten worden toegerekend en dat zij, gelet op hun gebruik van een bankpas behorende bij de bankrekening van de stichting, over deze inkomsten konden beschikken. Aangezien het totaalbedrag aan bijschrijvingen/kasstortingen in de periode van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 lager was dan de aan appellanten verstrekte bijstand heeft het College de bijstand van appellanten over die periode herzien. Het totaalbedrag aan bijschrijvingen/kasstortingen in de periode van 22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007 was hoger dan het bedrag dat appellanten in die periode aan bijstand hebben ontvangen, zodat het College de bijstand van appellanten over die periode heeft ingetrokken.

4.4. De Raad stelt vast dat appellanten zich in hoger beroep hebben gekeerd tegen de herziening van de bijstand over de periode van 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 en de intrekking van de bijstand over de periode van 22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007. Appellanten hebben de intrekking van de bijstand met ingang van 18 juli 2007 in hoger beroep niet betwist. Derhalve staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of het College bevoegd was tot herziening respectievelijk intrekking van bijstand over de genoemde perioden.

4.5. Evenals de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door het College niet te melden dat zij met ingang van 27 maart 2006 bestuursleden zijn van de stichting en als zodanig staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Tevens is van belang dat appellanten voor de stichting werkzaamheden hebben verricht en dat sprake is van een financiële verwevenheid tussen appellanten in persoon en de stichting. De omstandigheid dat sprake is van een organisatie met een ideële doelstelling is daarbij niet doorslaggevend, omdat ook voor een dergelijke organisatie betaalde dan wel op geld waardeerbare werkzaamheden kunnen worden verricht. Daarbij tekent de Raad aan dat het hier gaat om feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op (de omvang van) het recht op bijstand.

4.6. Appellanten betwisten het standpunt van het College dat zij inkomsten uit de stichting hebben genoten. Volgens appellanten hebben zij als voorzitter en penningmeester, en mevrouw [K.] als secretaris, van de stichting bedragen aan de stichting geleend, die zijn aangewend voor de stichting en tevens voor privé-betalingen, zoals dagelijkse boodschappen en benzinekosten van deze drie bestuursleden. Appellanten zijn van mening dat het College de middelen waarover de stichting de beschikking heeft gekregen ten onrechte heeft aangemerkt als hun inkomen.

4.7. Nu appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, en mede gelet op hun functie als voorzitter en penningmeester van de stichting en de financiële verstrengeling van appellanten en de stichting, ligt het op de weg van appellanten om aan de hand van controleerbare en verifieerbare bescheiden duidelijkheid te verstrekken over de herkomst en bestemming van de middelen waarover de stichting de beschikking heeft gekregen. Daarin zijn appellanten naar het oordeel van de Raad niet geslaagd. Voor de stelling dat appellanten aan de stichting geld hebben geleend, is in de gedingstukken geen bewijs te vinden. Voorts zijn de door appellant verstrekte toelichting, de nadien gegeven overzichten, waaronder het door appellant aangeduide kasboek, en de ter zitting van de rechtbank overgelegde financiële overzichten 2006/2008 niet controleerbaar en verifieerbaar. Uit de omstandigheid dat de bankafschriften van de stichting bij kasstortingen en pinbetalingen twee verschillende pasnummers vermelden, kan niet worden afgeleid dat alle transacties waarbij bankpas [nr.] is gebruikt appellanten betreffen en dat de bankpas met nummer [nr.] uitsluitend door de secretaris is gebruikt. De Raad acht tevens van belang dat appellanten niet, zoals hen was verzocht, de afschriften van hun bankrekening(en) over de periode maart 2006 tot oktober 2007 aan het College hebben verstrekt. Aan de hand van deze bankafschriften hadden appellanten mogelijk duidelijkheid kunnen verschaffen over de herkomst van de bedragen, waarvan vaststaat dat zij die op de bankrekening van de stichting hebben gestort. De stelling van appellant dat het College beschikte over de afschriften van zijn bankrekening, omdat die altijd bij de periodieke heronderzoeken werden verstrekt, is door het College bestreden. De Raad acht het bovendien niet aannemelijk dat de bij periodieke heronderzoeken verstrekte bankafschriften de gehele periode van maart 2006 tot oktober 2007 beslaan. Hoewel de herkomst van de bedragen die op de bankrekening van de stichting zijn bijgeschreven duidelijk is, hebben appellanten evenmin aan de hand van controleerbare en verifieerbare gegevens de bestemming van de bijschrijvingen, behoudens de bijschrijving van € 2.000,-- in juli 2007, aannemelijk gemaakt. Ter zitting van de Raad heeft appellant aannemelijk gemaakt dat de bijschrijving van € 2.000,-- in juli 2007 een donatie van een derde aan de stichting betrof en dat die donatie in die maand in zijn geheel is aangewend voor het doel van de stichting.

4.8. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat de kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van de stichting dienen te worden aangemerkt als inkomen van appellanten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB waarover zij de beschikking hebben gehad. Gelet op de onder 4.7 genoemde omstandigheden kan de Raad dit standpunt in grote lijnen onderschrijven. Daarbij tekent de Raad evenwel aan dat van de bankrekening van de stichting enkele bedragen zijn afgeschreven, die gelet op de omschrijving op de bankafschriften onmiskenbaar uitsluitend zijn aangewend voor de stichting. De Raad is van oordeel dat het College deze bedragen in mindering dient te brengen op de aan appellanten toe te rekenen inkomsten.

4.9. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:

a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en

b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

Artikel 19, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

4.10. De Raad is van oordeel dat de kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van de stichting, behoudens de bedragen bedoeld in 4.8, aangemerkt kunnen worden als inkomsten van appellanten over de maanden waarin de stortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Uit de bankafschriften van de rekening van de stichting kan worden opgemaakt dat het gaat om kasstortingen en bijschrijvingen in de maanden juni, september en november 2006 en april en mei 2007. Voor zover die kasstortingen en bijschrijvingen lager waren dan de toepasselijke bijstandsnorm kan de bijstand van appellanten worden herzien over de maanden waarin de kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Voor zover het totaalbedrag aan kasstortingen en bijschrijvingen in een maand hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm kan de bijstand van appellanten over die maand worden ingetrokken en bestaat aanleiding het surplus toe te voegen aan het vermogen van appellanten. De Raad acht derhalve het standpunt van het College dat de stortingen en bijschrijvingen niet per maand, maar naar evenredigheid moeten worden toegerekend aan de gehele hiervoor genoemde perioden, niet juist. Hieruit volgt dat het College zich ten onrechte bevoegd heeft geacht de bijstand over de periode 8 juni 2006 tot en met 30 november 2006 te herzien door de maandelijkse inkomsten toe te rekenen aan deze gehele periode en de bijstand over de periode van

22 februari 2007 tot en met 17 juli 2007 op dezelfde grond in te trekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak ook om die reden niet in stand kan blijven.

4.11. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 15 april 2008 niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Aangezien het College zich nog niet heeft uitgelaten over de gevolgen die het onder 4.10 gegeven oordeel van de Raad heeft voor besluit van 15 april 2008, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 15 april 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

IJ