Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
09-3369 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van een eerder genomen en rechtens onaantastbaar besluit, inhoudende intrekking bijstandsuitkering. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij toen in de absolute onmogelijkheid heeft verkeerd verklaringen over te leggen of de namen van getuigen bekend te maken, moet de Raad vaststellen dat appellant deze redelijkerwijs in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 15 oktober 2002 al naar voren had kunnen brengen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3369 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 mei 2009, 08/971 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 22 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum (hierna: College) overgedragen aan het Dagelijks Bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunssum, Onderbanken en Landgraaf (ISDBOL).

Namens appellant heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kreutzkamp. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M.H. Wouters-Heuts, werkzaam bij de ISDBOL.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft het College de aan appellant verleende bijstand over de periode van 22 september 1999 tot en met 31 juli 2002 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. De intrekking van de bijstand berust op het feit dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn vermogenspositie. Bij een onderzoek was gebleken dat gedurende voormelde periode, naast de auto die appellant had opgegeven, meerdere personenvoertuigen en een motorfiets op naam van appellant geregistreerd stonden, waarvan de gezamenlijke waarde van € 56.247,-- het toepasselijke vrij te laten vermogen fors overschreed. Appellant heeft tegen het besluit van 15 oktober 2002 geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. Namens appellant is bij brief van 9 juli 2007 verzocht om terug te komen van het besluit van 15 oktober 2002. Appellant heeft daarbij gewezen op het arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 7 juni 2007, nr. 20-001809-03. Uit dat arrest blijkt dat niet wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat appellant met betrekking tot de onder 1.1 genoemde personenvoertuigen en motorfiets (opzettelijk) geen opgave heeft gedaan op de daarvoor bestemde inlichtingenformulieren of in strijd met de hem krachtens artikel 65 van de Algemene bijstandswet opgelegde verplichting heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente Brunssum te verstrekken en dat appellant om die reden is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant een beroep gedaan op de bij voornoemd gerechtshof ingebrachte bewijsmiddelen, bestaande uit een verklaring van [getuige] en een op

21 maart 2002 gedateerde koopovereenkomst op naam van de broer van appellant, en op de door [getuige]s en de broer van appellant ter zitting van 26 februari 2007 bij dat gerechtshof afgelegde ontlastende getuigenverklaringen.

1.3. Het Dagelijks Bestuur heeft bij besluit van 2 oktober 2007 het verzoek van appellant van 9 juli 2007 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 22 april 2008 wegens een bevoegdheidsgebrek gegrond verklaard. Omdat dit gebrek in de beroepsfase is hersteld heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en heeft zij voorts beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Het in dit geding aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat het Dagelijks Bestuur terugkomt van zijn eerdere besluit van 15 oktober 2002. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

3.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

3.3. Appellant betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat de onder 1.2 genoemde schriftelijke bewijsmiddelen en getuigenverklaringen als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden beschouwd.

3.4. Appellant heeft niet betwist en ook de Raad stelt vast dat de omstandigheid dat appellant door de strafrechter is vrijgesproken van hetgeen hem in verband met de onderhavige bijstandszaak ten laste is gelegd op zichzelf geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

3.5. Evenals de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat de bij het gerechtshof aangevoerde bewijsmiddelen en afgelegde getuigenverklaringen niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De Raad stemt in met de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht en merkt hierbij nog het volgende op.

3.6. Niet in geschil is dat appellant ten tijde van het besluit van 15 oktober 2002 heeft kunnen beschikken over de koopovereenkomst op naam van zijn broer. Dat deze is opgesteld in de Duitse taal is niet van belang. Verder betreft het bewijs, te ontlenen aan verklaringen van getuigen, van wie appellant om hem moverende redenen destijds geen verklaringen heeft willen inbrengen en van wie hij destijds voorts heeft geweigerd de namen aan het Dagelijks Bestuur bekend te maken. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij toen in de absolute onmogelijkheid heeft verkeerd die verklaringen over te leggen of de namen van die getuigen bekend te maken, moet de Raad vaststellen dat appellant deze redelijkerwijs in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 15 oktober 2002 al naar voren had kunnen brengen.

3.7. Naar het oordeel van de Raad was het Dagelijks Bestuur dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

SG