Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
10-2891 WWB + 10-2892 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2891 WWB

10/2892 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van:

1. 26 juli 2005, 03/4193, 04/1778, 04/3698 en 04/3703, op de hoger beroepen van verzoeker tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 juli 2003, 03/1224 NABW en 03/1705 NABW, de uitspraak van die rechtbank van 1 juni 2004, 03/2387 NABW en 03/2412 NABW, en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de genoemde rechtbank van 25 februari 2004, 03/3135 NABW en 04/161 NABW VV;

2. 24 april 2007, 06/2557, op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2006, 04/2247,

in de gedingen tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraken van de Raad van 26 juli 2005 en 24 april 2007.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek om herziening is behandeld ter zitting van 22 februari 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening van de uitspraken van 26 juli 2005 en 24 april 2007 als nieuwe feiten ingebracht de besluiten van 15 augustus 2002 en 3 oktober 2002 van het College. In laatstgenoemd besluit is aangegeven dat er een heronderzoek heeft plaatsgevonden en dat naar aanleiding van dat onderzoek de bijstandsverlening zal worden voortgezet. Verzoeker betoogt dat het College het besluit van 3 oktober 2002 bij de processtukken had moeten voegen en bij haar overwegingen had moeten betrekken. Door dit niet te doen heeft het College naar het oordeel van verzoeker onjuiste en/of onvolledige informatie aan de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep verstrekt, waardoor op een niet volledig dossier uitspraak is gedaan. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat in de procedure ten onrechte is gemeld dat verzoeker het bezit van een creditcard zou hebben verzwegen, aangezien verzoeker het verlies van de creditcard heeft vermeld op het informatieformulier heronderzoek.

3. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd - wat er ook van zij - geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid betreft als hiervoor bedoeld. Het door verzoeker ingebrachte besluit van 3 oktober 2002 is blijkens zijn aanhef aan verzoeker uitgereikt en was dus vóór de uitspraken van 26 juli 2005 en 24 april 2007 redelijkerwijs bij verzoeker bekend. Verzoeker had dat besluit dus desgewenst zelf in de oorspronkelijke procedure kunnen inbrengen. Het besluit van 3 oktober 2002 is reeds om die reden niet als nieuw feit aan te merken.

4.2. De Raad stelt voorts vast dat het bezit van verzoeker van een of meer creditcards in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 26 juli 2005 aan de orde is geweest en dat verzoeker in die procedure had kunnen aanvoeren dat hij het bezit van die creditcards niet heeft verzwegen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere middel van herziening niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.

5. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van N.M van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

SG