Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
09-1750 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking toestemming tot het volgen van een opleiding aan het ROC. Appellante heeft onvoldoende vooruitgang bij de opleiding geboekt en heeft een negatief studieadvies gekregen. Appellante heeft geweigerd training te gaan volgen. Niet kan worden gezegd dat het College bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de toestemming tot het volgen van de opleiding in te trekken en deze intrekking te handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1750 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 12 februari 2009, 08/973 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 15 februari 2011, waar partijen, het College met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sedert 1998 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In aanvulling op een in november 2004 ondertekend Trajectplan heeft het College appellante toestemming verleend om per 15 november 2006 aan het ROC Aventus te Apeldoorn (hierna: ROC) de opleiding Helpende Zorg te gaan volgen.

1.2. Bij besluit van 27 september 2007 heeft het College de toestemming tot het volgen van de opleiding met onmiddellijke ingang ingetrokken op de grond dat de persoonlijke situatie en privé-omstandigheden van appellante in de afgelopen maanden tot onvoldoende studieresultaten hebben geleid met als gevolg dat er een negatief studieadvies door het ROC is afgegeven. Daaraan is toegevoegd dat het door het ROC aangeboden traject (training via het servicebureau) op 11 september 2007 met appellante is besproken maar door haar is afgewezen.

1.3. Bij besluit van 7 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB worden bij verordening regels gesteld met betrekking tot het ondersteunen van onder andere personen die algemene bijstand ontvangen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verordening is in het onderhavige geval de Reïntegratieverordening gemeente Apeldoorn (hierna: Reïntegratieverordening). In artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de Reïntegratieverordening is bepaald dat het College een voorziening kan beëindigen indien naar het oordeel van het College de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.

4.2. Bij brief van 13 september 2007 heeft het ROC appellante meegedeeld dat is geconstateerd dat zij veelvuldig lessen heeft verzuimd, meestal te laat in de lessen komt en niet kan omgaan met feedback, dat haar beroepspraktijkvorming met een onvoldoende is afgesloten en ook de formatieve toetsen onvoldoende zijn. Aan een en ander is de conclusie verbonden dat appellante onvoldoende vooruitgang bij de opleiding boekt en een negatief studieadvies krijgt. Daaraan is de waarschuwing verbonden dat het negatieve studieadvies kan worden omgezet in een bindend negatief studieadvies, maar dat dat mogelijk kan worden voorkomen indien appellante, bijvoorbeeld via het servicebureau, een training gaat volgen om met feedback om te gaan. Appellante heeft vervolgens geweigerd bedoelde training te gaan volgen. Voorts is in het Verslag van het uitgebreide onderzoek naar leerbaarheid, waaraan appellante op 6 en 20 december 2007 heeft deelgenomen, aangegeven dat de gemeten capaciteiten van appellante op verstandelijk gebied niet voldoende zijn voor mbo niveau 2 en dat een voortgang in mbo niveau 2 en een bijpassende werkplek op grond van het onderzoek niet haalbaar lijken.

4.3. Uit de stukken blijkt dat appellante bij hoge uitzondering toestemming is verleend de opleiding aan het ROC te gaan volgen. Gezien de inhoud van de brief van 13 september 2007 en het rapport van de psycholoog drs. D.J. Bartels, die appellante op 6 en 20 december 2007 heeft onderzocht, is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het College bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de toestemming tot het volgen van de opleiding in te trekken en deze intrekking te handhaven.

Hetgeen appellante in haar beroepschrift heeft gesteld, dat er in wezen op neerkomt dat noch de inhoud van de brief van 13 september 2007 noch de conclusie in het rapport van de psycholoog Bartels juist zijn, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat de Raad van oordeel is dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

HD