Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
08-7430 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Geen aanknopingspunt voor de stelling dat een adresloze geen mededeling zou behoeven te doen van zijn feitelijke verblijfplaats. Door geen gehoor te geven aan de uitnodigingen te verschijnen ten einde inlichtingen te verschaffen over zijn woonsituatie heeft appellant onvoldoende medewerking waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7430 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2008, 08/3822 en 08/3823 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 29 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.R. Lieuw On, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2011. Namens appellant is verschenen mr. Lieuw On. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.1. Bij besluit van 17 april 2008 heeft het College appellant toestemming gegeven om tot 17 juli 2008 gebruik te maken van het postadres [postadres ] te [gemeente], dit omdat appellant had aangegeven niet over een vast woonadres te beschikken. Op 30 mei 2008 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd waarbij hij heeft vermeld zeven dagen per week op het adres [adres 1] te [gemeente] te verblijven. Bij besluit van 26 juni 2008 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet heeft gereageerd op oproepen om op 24 juni 2008 en 26 juni 2008 ten kantore te verschijnen, waardoor het recht op bijstand niet was vast te stellen.

1.2. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat volgens constante jurisprudentie een betrokkene, indien hij aangifte doet van een ander adres dan het door het College ter beschikking gestelde briefadres, geacht kan worden aldaar woonplaats te hebben.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat hij bij zijn uitkeringsaanvraag zijn adres zou hebben gewijzigd. Appellant beschikte over een postadres op welk adres hij diende te worden aangeschreven. Nu hij niet op het juiste adres is aangeschreven en de post hem daardoor niet tijdig heeft bereikt, heeft appellant aan de uitnodigingen geen gehoor kunnen geven. Op grond hiervan kan hem niet verweten worden, aldus appellant, dat hij onvoldoende medewerking heeft verleend, waardoor zijn recht op uitkering niet kon worden vastgesteld.

4.2. De Raad is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of appellant recht heeft op bijstand en naar welke norm die bijstand dan dient te worden vastgesteld, controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant van doorslaggevend belang zijn. Het College heeft dan ook terecht onderzoek ingesteld naar het bij de aanvraag opgegeven verblijfadres van appellant, [adres 1] te [gemeente]. Dit wordt niet anders doordat appellant, die onder de Pardonregeling viel, gebruik heeft gemaakt van een hem door het College ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de WWB. Allereerst is appellant toestemming verleend voor het gebruik van een briefadres omdat hij kenbaar had gemaakt niet over een vast woonadres te beschikken. Voorts bieden de tekst van artikel 40, eerste en tweede lid, van de WWB, noch de geschiedenis van de totstandkoming daarvan een aanknopingspunt voor de stelling dat een adresloze als in die bepalingen bedoeld geen mededeling zou behoeven te doen van zijn feitelijke verblijfplaats of dat deze anderszins zou zijn ontheven van de in artikel 17 van de WWB neergelegde verplichtingen.

4.3. De namens appellant aangevoerde omstandigheid dat hij geen hoofdbewonerverklaring kon overleggen strookt niet met de zich in het dossier bevindende verklaring hoofdbewoner / verhuurder van 15 juni 2008. Daarnaast blijkt uit de rapportage van het intakegesprek op de dienst van 2 juni 2008, waar onder meer de woonsituatie van appellant besproken is, niet dat appellant geen post of bezoek zou mogen ontvangen op het bij de aanvraag opgegeven verblijfadres.

4.4. Door geen gehoor te geven aan de uitnodigingen te verschijnen ten einde inlichtingen te verschaffen over zijn woonsituatie heeft appellant onvoldoende medewerking verleend als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

HD