Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
10-4837 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluit, inhoudende weigering Wajong-uitkering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4837 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2010, 09/2885 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.B.C. Maton, advocaat in ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2011. Voor appellante is verschenen mr. Maton. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1963, heeft in januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Nadat psychiater J.D.J. Tilanus op 19 augustus 2002 op verzoek van het Uwv een expertise heeft verricht, over welk onderzoek hij op 17 september 2002 heeft gerapporteerd, heeft het Uwv de medische beperkingen vastgesteld en appellante geschikt bevonden voor passende werkzaamheden zonder dat sprake was van loonverlies. Bij besluit van 8 januari 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering omdat zij op en na 12 juni 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

2. In november 2008 heeft appellante opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd in verband met voor het 17e levensjaar ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij de aanvraag heeft appellante diverse medische stukken gevoegd. Na een medisch onderzoek door verzekeringsarts A.J. Kruiswijk heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 8 januari 2003 omdat de ontvangen gegevens van de behandelaar(s) volgens het Uwv ten aanzien van de functionele mogelijkheden van appellante op haar 18e verjaardag geen nieuwe informatie bevatten. Bij besluit van 9 december 2008 is de aanvraag dan ook onder verwijzing naar het besluit van 8 januari 2003 afgewezen.

3. In bezwaar is aangevoerd dat appellante meer beperkt was dan waarvan het Uwv is uitgegaan. In dat verband heeft appellante nadere medische stukken in geding gebracht. Het betreft onder meer informatie uit 1981 van de Polikliniek Psychiatrie “Reinier van Arkel”, waaronder een brief van orthopedagoog R. Vogelsang van 7 april 1981. Voorts heeft appellante een besluit van 11 juli 2008 ingezonden inzake een ontheffing van de arbeidsverplichting in het kader van de Wet werk en bijstand. Nadat bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie in de rapportage van 6 juli 2009 de beoordeling door de verzekeringsarts heeft onderschreven, is het bezwaar bij besluit van 7 juli 2009 (verder: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4. Bij aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen, onder verwijzing naar het toetsingskader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de vaste rechtspraak van de Raad, dat de rechterlijke toetsing zich beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het eerdere besluit te herzien. De rechtbank heeft overwogen dat, nog daargelaten de vraag of de ingebrachte medische informatie niet al op een eerder tijdstip ingebracht had kunnen worden, geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

5. In hoger beroep zijn de eerdere in beroep aangevoerde gronden herhaald. Aanvullend is aangevoerd dat appellante bij de eerdere aanvraag door degene die haar toen heeft geholpen bij de indiening daarvan niet was geïnformeerd over het nut van het meesturen van bewijsstukken, noch over de mogelijkheid van het indienen van bezwaar. De grond dat appellante bezwaar heeft willen maken tegen het besluit van 8 januari 2003 en dat ter zake sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, heeft gemachtigde van appellante ter zitting laten vallen.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Overeenkomstig het door de rechtbank op juiste wijze weergegeven rechterlijk toetsingskader mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd, dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer deze niet worden aangedragen kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek onder verwijzing naar zijn eerdere besluit afwijzen.

6.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is de conclusie van het Uwv dat namens appellante geen nieuwe medische informatie in geding is gebracht niet te volgen. Daartoe overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts op 6 juli 2009 heeft toegelicht op grond waarvan de in bezwaar overgelegde stukken van Reinier van Arkel uit 1981 en het UMC Utrecht van 16 september 2005 geen nova bevatten ten opzichte van de reeds bekende gegevens, waaronder de in 1 genoemde psychiatrische expertise van Tilanus van 2002. De Raad ziet geen reden aan de juistheid van deze conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen en ziet ook overigens in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om anders te oordelen. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb de aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering af te wijzen. Voorts kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR