Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
10-2155 AW-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Termijnoverschrijding voor het betalen van griffierecht. De brieven van 23 april 2010 en 25 mei 2010 gericht aan het door opposante opgegeven adres zijn niet afgehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2155 AW-V

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Opposante], wonende te [woonplaats], (hierna: opposante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 maart 2010, 09/866 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

opposante

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij uitspraak van 29 juli 2010, 10/2155, heeft de Raad met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.

Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposante verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011. Opposante is verschenen met bijstand van mr. O. Diels, advocaat te ’s-Gravenhage. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn uitspraak waartegen het verzet is gericht, heeft de Raad onder meer overwogen dat appellante bij brief van

23 april 2010 en vervolgens bij aangetekende brief van 25 mei 2010 op de verschuldigdheid van griffierecht is gewezen. Bij laatstgenoemde brief is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Deze brief is door TNT Post op 22 juni 2010 bij de Raad terugbezorgd met de vermelding "Niet afgehaald". Vastgesteld is dat de brief was gericht aan het bij de Raad bekende adres van opposante.

2. In verzet heeft opposante aangevoerd dat zij de brieven van 23 april 2010 en 25 mei 2010 niet heeft ontvangen. Evenmin heeft zij een bericht van TNT Post aangetroffen dat de brief van 25 mei 2010 tevergeefs bij haar is aangeboden en kon worden afgehaald.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De brieven van 23 april 2010 en 25 mei 2010 waren gericht aan het door opposante opgegeven adres. Bij onderzoek is de Raad gebleken dat opposante ten tijde in geding ook in de gemeentelijke basisadministratie op dit adres stond ingeschreven.

3.2. Blijkens een op de enveloppe aangebrachte sticker heeft TNT Post op 26 mei 2010 getracht de aangetekende brief van 25 mei 2010 op het aangegeven adres aan te bieden, maar is daarbij "Geen gehoor" gekregen. Dit is in overeenstemming met de toen in het elektronisch volgsysteem van TNT Post aangebrachte vermelding "Geadresseerde niet aanwezig. Zending onderweg naar afhaalloc". Met afhaalloc(atie) wordt kennelijk gedoeld op de op de sticker vermelde vestiging [naam afhaallocatie] van TNT Post. Blijkens het volgsysteem was de brief daar van 27 mei 2010 tot 21 juni 2010 “beschikbaar” om te worden afgehaald. Vervolgens is de brief, voorzien van een tweede sticker met de aanduiding “Niet afgehaald”, aan de Raad teruggezonden.

3.3. Gelet op de vorenstaande gegevens moet het ervoor worden gehouden dat TNT Post, overeenkomstig de daarvoor geldende richtlijnen, op 26 mei 2010 ook een afhaalbericht in de brievenbus van opposante heeft gedeponeerd. Het stond opposante vrij aannemelijk te maken dat er een gerede kans bestond dat geen afhaalbericht is achtergelaten, maar daarin is zij niet geslaagd. Haar enkele stelling dat zij de brief van 23 april 2010 evenmin heeft ontvangen en dat ook al een ander poststuk is zoekgeraakt, is daarvoor onvoldoende. Concrete bewijzen van problemen met de postbezorging zijn niet overgelegd. De omstandigheid dat opposante groot belang had bij het hoger beroep, zodat voor haar grote alertheid en zorgvuldigheid geboden waren, kan evenmin als bewijs voor de juistheid van haar stellingen worden aanvaard.

3.4. De Raad concludeert dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet is dus ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD