Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0042

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
10-4056 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging tijdelijke aanstelling. Aan de Raad is in de omstandigheden van deze zaak niet gebleken dat er voor het college een verplichting tot voortzetting van de aanstelling bestaat, dan wel dat het niet verlengen van de aanstelling in strijd komt met enige regel van ongeschreven recht. Ook in de inadequate wijze waarop het college heeft gereageerd op het re-integratieadvies van de bedrijfsarts ziet de Raad, gelet op de zeer korte periode waarin betrokkene werkzaam is geweest, niet een omstandigheid om daarover anders te oordelen. Afwijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4056 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 juni 2010, 10/424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2011. Namens appellant is verschenen mr. J. Jaab, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van Kleef, verbonden aan

Van Kleef & Partners BV, en A.R. Kroese, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitvoeriger overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 februari 2009, 07/4290 AW en 07/4291 AW (LJN BH4715 en TAR 2009, 102), en naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 1 november 2004 met toepassing van artikel 2:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Leidschendam-Voorburg (ARLV) aangesteld als medewerker [naam functie] in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar met een werktijdomvang van 36 uur per week. Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het college appellant met ingang van

1 maart 2005 ontslag verleend wegens het bij zijn sollicitatie verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding (hierna ook: ontslagbesluit). Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2005 heeft het college het ontslagbesluit gehandhaafd. Bij de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad is het besluit van 28 oktober 2005 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad achtte onvoldoende gemotiveerd dat appellant ten onrechte zijn WAO-uitkering had verzwegen. Aan de onjuiste indruk die appellant had gewekt over de voltijdse omvang van zijn laatste aanstelling heeft de Raad niet de betekenis toegekend die het college hieraan heeft gegeven, omdat appellant erop mocht vertrouwen dat hij in staat was de voltijdse functie van medewerker [naam functie] te verrichten.

1.2. Bij het thans bestreden besluit van 8 december 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het college primair besloten het ontslag met ingang van 1 maart 2005 te handhaven met toepassing van artikel 8:12:1 van de ARLV. Subsidiair heeft het college meegedeeld dat de tijdelijke aanstelling per 1 november 2005 van rechtswege is geëindigd.

1.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen, dat in rechte onaantastbaar vaststaat dat de aanstelling van appellant per 1 november 2005 is geëindigd. Omdat naar het oordeel van de rechtbank het bij het bestreden besluit

verleende ontslag per 1 maart 2005 in rechte stand kan houden, is het beroep ongegrond verklaard.

2. Appellants hoger beroep is gericht tegen de instandlating van het ontslag per 1 maart 2005 en tegen de beslissing dat de tijdelijke aanstelling per 1 november 2005 is geëindigd. Daarbij heeft appellant een bedrag van € 10.000,- als schadevergoeding gevraagd.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep aangevoerd hebben, overweegt de Raad het volgende.

4. Het ontslag per 1 maart 2005 met toepassing van artikel 8:12:1 van de ARLV.

4.1. In artikel 8:12, eerste lid, van de ARLV is bepaald:

‘De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.’

In artikel 8:12:1, eerste lid, van de ARLV is bepaald:

‘De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.’

4.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 januari 2010, LJN BL2821 en TAR 2010, 64, overweegt de Raad, dat uit het samenstel van bepalingen van artikel 8:12 en artikel 8:12:1 van de ARLV - evenals uit de gelijke voorschriften van de CAR/UWO - voortvloeit dat het college bij een tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling moet kiezen uit één van de gronden van hoofdstuk 8 van de ARLV. De door het college in het bestreden besluit gegeven motivering dat appellant niet in staat was de functie uit te oefenen en zeker niet voor 36 uur per week, zal de Raad opvatten als een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 8:6 van de ARLV, mede omdat het college in (hoger) beroep het ontslag meermalen heeft aangeduid als een ontslag wegens functionele ongeschiktheid. De Raad gaat in dit verband voorbij aan de ter zitting door het college voor het eerst gesuggereerde ontslaggrond van artikel 8:8 van de ARLV, omdat de gedingstukken voor het gebruik van die ontslaggrond geen enkel aanknopingspunt bevatten.

4.3. De gedingstukken laten zien en het college heeft erkend dat appellant na enig ziekteverlof in november en december 2004 vanaf begin januari 2005 wegens ziekte niet in staat was zijn werk (volledig) te verrichten. Onder die omstandigheid valt niet in te zien dat appellant ‘anders dan op grond van ziekten of gebreken’ ongeschikt was om zijn functie te vervullen. De door het college betrokken stelling dat appellant zijn functie niet met de vereiste continuïteit kan vervullen, kan evenmin als een deugdelijke motivering voor het ongeschiktheidsontslag worden aangemerkt. Omdat appellant nog maar een paar maanden in dienst was en het college appellant, in afwijking van het herhaalde advies van de bedrijfsarts, niet de gelegenheid heeft gegeven om met een weektaak van 20 uur per week te re-integreren, ontbreekt de ook voor een tussentijds ontslag uit tijdelijke dienst geldende eis dat de ambtenaar de gelegenheid heeft gekregen zich waar te maken, zoals is neergelegd in de onder 4.2 genoemde uitspraak.

Dit brengt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het ontslag per 1 maart 2005 is gehandhaafd, in rechte geen stand kan houden. Nu de rechtbank het vorenstaande niet heeft onderkend, kan ook de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand blijven. De Raad zal zelf het ontslagbesluit van 18 februari 2005 herroepen.

5. Het van rechtswege eindigen per 1 november 2005.

5.1. Na de kennisname door het college van het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2005 heeft het college appellant bij brief van 22 december 2005 bericht dat in elk geval zijn tijdelijke aanstelling op 15 (lees: 1) november 2005 van rechtswege was geëindigd; deze mededeling deed het college voor het geval het ontslagbesluit en het besluit van 28 oktober 2005 in een gerechtelijke procedure vernietigd zouden worden. Het bezwaar van appellant tegen de brief van 22 december 2005 is bij besluit van het college van 15 maart 2006 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake was van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 juni 2007 het beroep tegen het besluit van 15 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen procesbelang meer had bij zijn beroep.

5.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld, dat het van rechtswege eindigen van de tijdelijke aanstelling in rechte onaantastbaar is ten gevolge van het besluit van 15 maart 2006 in samenhang met het ontbreken van een oordeel daarover in de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad. De Raad begrijpt dat de rechtbank daarmee bedoeld heeft te oordelen, dat de - door appellant in beroep bij de rechtbank betwiste - subsidiaire beslissing van het college over de einddatum van 1 november 2005 geen nadere toetsing behoefde. Het college acht deze uitkomst juist.

5.3. De Raad kan de rechtbank niet volgen. Nu blijkens hetgeen de Raad onder 4.3 heeft overwogen, het dienstverband na

1 maart 2005 is blijven bestaan, komt rechtens relevante betekenis toe aan de mededeling van het college over het eindigen van het dienstverband per 1 november 2005. Die mededeling impliceert de weigering van het college het dienstverband op enigerlei wijze voort te zetten. Het door appellant daartegen ingestelde beroep is als gevolg van de bijzondere wijze van besluitvorming daarover en de daarop gevolgde rechterlijke uitspraken nog niet inhoudelijk door de rechter beoordeeld (geweest). Gelet hierop en op de door appellant bij de rechtbank aangevoerde gronden heeft de rechtbank appellant ten onrechte tegengeworpen dat het desbetreffende besluit in rechte onaantastbaar is geworden en had zij dus (ook) het subsidiaire besluit van het college betreffende het einde van het dienstverband per 1 november 2005 behoren te toetsen. Voor zover de rechtbank dat achterwege heeft gelaten, kan de aangevallen uitspraak geen stand houden.

5.4. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 5 juni 2003, LJN AH9041 en TAR 2003, 171) vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht. Aan de Raad is in de omstandigheden van deze zaak niet gebleken dat er voor het college een verplichting tot voortzetting van de aanstelling bestaat, dan wel dat het niet verlengen van de aanstelling in strijd komt met enige regel van ongeschreven recht. Ook in de inadequate wijze waarop het college heeft gereageerd op het re-integratieadvies van de bedrijfsarts ziet de Raad, gelet op de zeer korte periode waarin betrokkene werkzaam is geweest, niet een omstandigheid om daarover anders te oordelen. Dit brengt mee dat het bestreden besluit in rechte standhoudt, voor zover daarbij is besloten dat de tijdelijke aanstelling op 1 november is geëindigd.

6. De aangevallen uitspraak komt in haar geheel voor vernietiging in aanmerking. Het bestreden besluit zal vernietigd worden voor zover daarbij ontslag is verleend per 1 maart 2005 met herroeping van het ontslagbesluit. Het bestreden besluit kan in stand blijven voor zover daarbij is beslist dat de aanstelling per 1 november 2005 is geëindigd.

6.1. Aangezien appellant in het bezwaarschrift tegen het ontslagbesluit verzocht heeft om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en het ontslagbesluit herroepen wordt wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding het college op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand.

6.2. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,-.

In verband met de daarin begrepen vergoeding van alle kosten van rechtskundige bijstand wijst de Raad erop, dat - zoals de Raad al meermalen in zijn rechtspraak heeft vastgesteld (CRvB 30 oktober 2008, LJN BG3749 en TAR 2009, 67) - in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht een forfaitair stelsel is neergelegd. Voor veroordeling van het college tot vergoeding van de integrale kosten van rechtsbijstand via artikel 8:73 van de Awb is geen plaats.

Appellant acht voorts vergoeding van immateriële schade op zijn plaats omdat hij, zoals ter zitting toegelicht, van het ontslag een flinke klap heeft gekregen. Nu hij geen verdere onderbouwing van deze gestelde schade heeft gegeven, heeft appellant de Raad er niet van kunnen overtuigen dat ten gevolge van het ontslagbesluit sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 6 juni 1996, LJN AK6336 en TAR 1997, 169) overweegt de Raad dat daarvoor onvoldoende is dat - zoals kennelijk in dit geval - sprake is van sterk psychisch onbehagen door het onrechtmatige besluit.

6.3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, voor zover appellant per 1 maart 2005 ontslag is verleend en vernietigt dat besluit;

Herroept het ontslagbesluit van 18 februari 2005;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, voor zover daarbij is beslist dat de aanstelling op 1 november 2005 geëindigd is;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Veroordeelt het college in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.070,--;

Bepaalt dat het college aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

sHD