Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
09/856 WWB + 09/857 WWB + 09/1567 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/856 WWB

09/857 WWB

09/1567 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2009, 08/93 en 08/1706 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.Betrokkene ontving vanaf 14 november 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van de melding van de afdeling terugvordering en verhaal van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (hierna: SoZaWe) op 17 november 2006 dat [C.B.], de vader van een van de kinderen van betrokkene, bij zijn werkgever bekend is op het adres van betrokkene aan de [adres] in [plaatsnaam] en een anonieme telefonische melding op

23 november 2006 dat betrokkene en [C.B.] al 18 jaar samen zijn, heeft SoZaWe onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In eerste instantie is dossieronderzoek verricht en is

- tevergeefs - getracht informatie in te winnen bij werkgevers van [C.B.]. Vervolgens heeft op

12 september 2007 een gesprek met betrokkene plaatsgevonden, waarbij van de zijde van SoZaWe aanwezig waren de klantmanager van betrokkene en een medewerker handhaving. Van dit gesprek is een verslag gemaakt dat door betrokkene, de klantmanager en de medewerker handhaving is ondertekend. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport bijzonder rechtmatigheidsonderzoek van 31 oktober 2007.

1.3.Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft appellant bij besluit van 5 november 2007 het recht op bijstand van betrokkene met ingang 1 september 2007 opgeschort. Bij besluit van 22 november 2007 heeft appellant de bijstand van betrokkene over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.401,87 van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van 29 november 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard, waaraan

uiteindelijk ten grondslag is gelegd dat betrokkene geen belang meer heeft bij de beoordeling van het bezwaar omdat de bijstand per 1 september 2007 is beëindigd. Bij besluit van 26 maart 2008 - voor zover hier van belang - heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2007 ongegrond verklaard. Het besluit van 26 maart 2008 berust op het standpunt van appellant dat betrokkene in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen opgave heeft gedaan dat zij in de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [C.B.] en dat zij om die reden niet is aan te merken als zelfstandig subject van bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 november 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank tevens het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008, voor zover daarbij het besluit van 22 november 2007 is gehandhaafd, gegrond verklaard en dat besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat de intrekking van de bijstand over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 is gebaseerd op de door betrokkene op

12 september 2007 afgelegde verklaring. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring onvoldoende om op grond daarvan de conclusie te kunnen trekken dat betrokkene en [C.B.] hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat betrokkene haar verklaring niet heeft afgelegd tegenover sociaal rechercheurs, maar tegenover een klantmanager en een medewerker handhaving en dat om die reden er niet van kan worden uitgegaan dat het afleggen van de verklaring met de vereiste waarborgen is omgeven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat betrokkene, zoals blijkt uit het rapport van 31 oktober 2007, geëmotioneerd was toen zij de verklaring aflegde, zij later geprobeerd heeft duidelijk te maken dat zij op haar verklaring wilde terugkomen en dat appellant niet daarnaast nog andere bevindingen heeft, bijvoorbeeld uit een afgelegd huisbezoek, of gegevens die de verklaring van betrokkene ondersteunen. Ten slotte is appellant bij de aangevallen uitspraak veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en tot vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008 gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en appellant ter zake heeft veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. Bij besluit van 24 februari 2009 - voor zover hier van belang - heeft appellant, onder het maken van een voorbehoud ten aanzien van het hoger beroep, uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak door het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2007 alsnog gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant de aan de intrekking van de bijstand over de periode van 1 februari 2007 tot en met

31 augustus 2007 ten grondslag gelegde gezamenlijke huishouding heeft gebaseerd op artikel 3, derde lid en vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Dit houdt in dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Vaststaat dat uit de relatie tussen betrokkene en [C.B.] een kind is geboren.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode van

1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 berust op de verklaring die zij op 12 september 2007 heeft afgelegd. Aan de anonieme telefonische tip kan geen betekenis worden toegekend, reeds omdat deze niet controleerbaar is en slechts inhield dat betrokkene en [C.B.] al 18 jaar samen zijn. Bovendien is deze tip ontvangen op een datum die ligt ruimschoots voor de periode hier in geding. Aan de melding van de afdeling terugvordering en verhaal kan slechts een beperkte betekenis worden gehecht omdat de gegevens waaruit blijkt dat [C.B.] bij zijn toenmalige werkgever bekend was op het woonadres van betrokkene, ontbreken.

4.3. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mag volgens vaste rechtspraak van de Raad in beginsel van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende, in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal opgenomen verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Anders dan de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat geen aanleiding bestaat om niet uit te gaan van de door betrokkene op 17 september 2007 afgelegde en in het door haar ondertekende verslag opgenomen verklaring tegenover haar klantmanager en de medewerker handhaving. Uit dit verslag blijkt welke vragen betrokkene zijn gesteld en de beantwoording van deze vragen door betrokkene. Betrokkene heeft verklaard dat [C.B.] op 17 december 2006 is gekomen om met haar en de kinderen de feestdagen door te brengen, dat hij op

3 januari 2007 even naar Spanje is geweest en dat hij op 1 februari 2007 weer bij hen is teruggekeerd en sindsdien woonachtig is op haar adres. Daarbij heeft betrokkene erkend dat zij wist dat [C.B.] bij [naam bedrijf] heeft gewerkt omdat, zoals de afdeling terugvordering en verhaal had gerapporteerd, zij de post, loonstroken en dergelijke van [C.B.] op haar adres ontving.

Voorts heeft betrokkene erkend dat zij bewust aan SoZaWe geen melding heeft gemaakt van het feit dat [C.B.] per 1 februari 2007 bij haar is teruggekeerd en dat zij bereid is de ten onrechte genoten bijstand over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 terug te betalen. Hoewel het opgestelde verslag niet vermeldt dat betrokkene de verklaring na lezing heeft ondertekend, blijkt uit het verslag van de hoorzitting dat zij de verklaring heeft gelezen. De omstandigheid dat betrokkene tijdens het gesprek geëmotioneerd was en huilend een bekentenis heeft afgelegd brengt op zichzelf niet mee dat de afgelegde verklaring voor onjuist moet worden gehouden. De Raad is niet gebleken dat tijdens het confrontatiegesprek een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en nog aanvaardbaar is te beschouwen. Tevens acht de Raad van belang dat betrokkene niet eerder dan in het aanvullend bezwaarschrift van 28 december 2007 is teruggekomen op de afgelegde verklaring in die zin dat zij zich op het standpunt stelt dat [C.B.] vanaf 1 februari 2007 weer regelmatig op bezoek kwam om zijn kinderen te bezoeken. Voor dit gewijzigde standpunt van betrokkene is overigens in de gedingstukken geen toereikende ondersteuning te vinden. De schriftelijke verklaring van [C.B.], die enkel inhoudt dat hij betwist dat hij in de betreffende periode bij betrokkene heeft gewoond, is daartoe ontoereikend. Aan de schriftelijke verklaring van een makelaar dat [C.B.] in de periode van 31 januari 2007 tot 31 juli 2007 een woning in [plaatsnaam] heeft gehuurd, kan ook niet de betekenis worden toegekend die betrokkene daaraan gehecht wil zien, reeds omdat de huur van een woning niet automatisch betekent dat de betrokkene in die woning zijn hoofdverblijf heeft. De Raad is derhalve, anders dan de rechtbank, van oordeel dat van de juistheid van de door betrokkene afgelegde verklaring mag worden afgegaan. Nu voorts uit de gedingstukken blijkt dat [C.B.] van 14 september 2006 tot en met 29 juni 2007 bij [naam bedrijf] heeft gewerkt en vaststaat dat de loonstroken op naam van [C.B.], afkomstig van [naam bedrijf], op het adres van betrokkene werden ontvangen, is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van appellant dat betrokkene in de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 met [C.B.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, waarvan zij geen opgave heeft gedaan aan appellant en dat zij om die reden niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd.

4.4. Uit hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen vloeit voort dat appellant bevoegd was de bijstand van betrokkene over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 onder toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. De Raad stelt vast dat betrokkene in beroep uitsluitend heeft betwist dat zij in de hiervoor genoemde periode met [C.B.] hoofdverblijf heeft gehad in haar woning. Zij heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen deze wijze waarop appellant van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gebruik heeft gemaakt. Evenmin heeft betrokkene zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de bevoegdheid van appellant om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 augustus 2007 van haar terug te vorderen en de wijze waarop appellant van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.5. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008 in zijn geheel ongegrond verklaren. De door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling komt tevens voor vernietiging in aanmerking. Aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak tevens het beroep tegen het besluit van 29 november 2007 gegrond heeft verklaard en appellant dat onderdeel van de aangevallen uitspraak niet betwist, bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene inzake het besluit van 29 november 2007. De Raad begroot deze kosten op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

4.6. Het vorenstaande betekent tevens dat het besluit van 24 februari 2009 voor vernietiging in aanmerking komt, omdat door de vernietiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, de grondslag aan dat besluit is komen te ontvallen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank Rotterdam;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs

(get.) C. de Blaeij

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD