Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
04-04-2011
Zaaknummer
10-533 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het genomen en in rechte onaantastbaar geworden besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/533 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 december 2009, 09/287 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2011. Appellant is verschenen met bijstand van mr. M.M. Pasman, advocaat te Haren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R. van Dijk en drs. J. Poutsma, beiden werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sinds 1983 in dienst van de Rijksuniversiteit Groningen en werkzaam als instrumentmaker, laatstelijk bij de Facultaire Technische Dienst van de [naam faculteit]. Mede als gevolg van een aangeboren lichamelijke handicap, heeft hij in toenemende mate problemen gekregen bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Hij kon het werktempo niet meer bijhouden en de vereiste productie niet meer leveren. Over deze situatie hebben gesprekken plaatsgevonden, waarbij appellant zich juridisch heeft laten bijstaan door de vakbond.

1.2. Bij brief van 11 januari 2007 heeft het faculteitsbestuur zich bereid verklaard de functie van appellant bovenformatief in de formatie van de Technische Dienst op te nemen, mits hij zijn werktijd terugbrengt naar 80%. Daarbij zou de salarisschaal gehandhaafd kunnen blijven en de verplichting tot urenverantwoording vervallen. Naar aanleiding van deze brief is verder gesproken en gecorrespondeerd.

1.3. Bij brief van 22 mei 2007 heeft het faculteitsbestuur appellant meegedeeld dat is overeengekomen dat met ingang van 1 juni 2007 zijn positie bovenformatief zal worden en zijn werktijd van 100% naar 80% zal worden teruggebracht. Het functieprofiel en het salarisniveau blijven dan gehandhaafd. Appellant werd verzocht door ondertekening en terugzending van een kopie van de brief te bevestigen dat hij met de bovenstaande overeenkomst akkoord gaat. Aan dit verzoek heeft hij voldaan.

1.4. Bij brief van 31 juli 2008 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de brief van 22 mei 2007. Het college heeft dit bezwaar aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het - naar het college stelt - op 22 mei 2007 genomen en in rechte onaantastbaar geworden besluit. Bij besluit van 26 augustus 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2009 (hierna: bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Appellant heeft betoogd dat de brief van 11 januari 2007 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de daarop van zijn kant gevolgde correspondentie als een tegen dit besluit gericht bezwaar. Dit betoog slaagt niet. De brief van 11 januari 2007 behelst een voorstel om tot een oplossing te komen en een verzoek om, ter uitvoering daarvan, een schriftelijk verzoek tot aanpassing van de werktijd in te dienen. Van een reeds op dit rechtsgevolg gerichte beslissing was geen sprake.

3.2. De Raad kan zich evenmin verenigen met de opvatting van het college dat de onder 1.3 genoemde brief van 22 mei 2007 een besluit inhoudt. Ook hier was nog geen sprake van een reeds op rechtsgevolg gerichte beslissing. Blijkens zijn duidelijke bewoordingen behelst de brief een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst over de uitoefening van de (aan het college toekomende) bevoegdheid tot het bepalen van de ambtelijke rechts-positie van appellant, waaronder de omvang van zijn aanstelling. Deze overeenkomst moest eerst nog tot stand worden gebracht door het ondertekenen en terugzenden van een kopie van de brief door appellant. Pas daarna kon de op de overeenkomst gebaseerde

- eenzijdige en definitieve - besluitvorming plaatsvinden die een publiekrechtelijke rechtshandeling en daarmee een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb oplevert. Het beroep van het college op de uitspraken van de Raad van 24 oktober 1996 (TAR 1996, 205) en 18 oktober 2001 (TAR 2002, 35) stuit hierop af. Het gaat niet om vergelijkbare situaties.

3.3. Toch is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het bezwaar van 31 juli 2008 in rechte onaantastbaar tot uitvoering van de overeenkomst was besloten. Vaststaat dat appellant op 1 juni 2007 reeds feitelijk in het nieuwe arbeidspatroon werkte en dat met ingang van die datum zijn bezoldiging is aangepast aan een vermindering van de aanstellingsomvang van 100% naar 80%. Het daartoe strekkende besluit van het college is zichtbaar geworden in de na 1 juni 2007 aan appellant gezonden salarisspecificaties (CRvB 22 april 1999, LJN AA3959 en TAR 1999, 94). Een zo ingrijpende wijziging van zijn primaire arbeids-voorwaarden kan appellant redelijkerwijs niet zijn ontgaan. Hoewel hij in beginsel aanspraak had op een uitdrukkelijk besluit van het bevoegd gezag waarin de gevolgen van de overeenkomst werden vastgelegd, moet appellant na verloop van enige tijd - de Raad denkt aan enkele maanden - hebben begrepen dat verdere besluitvorming niet meer te verwachten viel. Onder deze omstandigheden had het op zijn weg gelegen om (veel) eerder dan op 31 juli 2008 bezwaar te maken en moet worden geoordeeld dat de mogelijkheid daartoe op die datum niet langer open stond.

3.4. Hiervan uitgaande heeft het college het bezwaar terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van een eerder genomen - in rechte vaststaand - besluit. Overeenkomstig hetgeen in artikel 4:6 van de Awb is bepaald voor herhaalde aanvragen, mag van degene die zo'n verzoek indient worden verlangd dat hij daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

3.5. Aan zijn verzoek heeft appellant - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat de overeenkomst neerkomt op een vrijwillig deeltijdontslag en voor hem aanzienlijk nadeliger uitpakt dan wanneer de juiste weg van de wettelijk voorgeschreven re-integratie zou zijn gevolgd. Hij heeft dit destijds onvoldoende begrepen. Onder dreiging van een functioneringstraject heeft hij geen andere uitweg gezien dan met de aangeboden regeling akkoord te gaan. Ook zijn vakbondsconsulente heeft hem onder druk gezet om met het voorstel in te stemmen, omdat dit het best haalbare zou zijn. Zij heeft gedreigd hem verdere steun te onthouden indien hij de overeenkomst niet zou ondertekenen.

3.6. De Raad kan appellant in dit betoog niet volgen. Bij de inleidende onderhandelingen en bij het opstellen van de overeenkomst is appellant steeds juridisch bijgestaan door zijn vakbond. Voor zover deze fouten mocht hebben gemaakt, komen deze voor rekening en risico van appellant. Voorts is van de zijde van het college uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de nadelige consequenties die uit aanvaarding van de overeenkomst zouden voortvloeien. In de brief van 22 mei 2007 is met zoveel woorden gesteld dat appellant er in inkomen op achteruit zou gaan en geen aanspraak zou kunnen maken op een uitkering. Dat appellant er eerder op is gewezen dat hij bij het niet tot stand komen van een regeling weer voor 100% zou worden ingezet en dat zijn functioneren dan via een functionerings-traject nauwlettend zou worden gevolgd, kan niet als ontoelaatbaar worden aangemerkt. Het is goed voorstelbaar dat deze mededeling bij appellant hard is aangekomen. Het is echter ook een vaststaand feit dat appellant in zijn werk steeds minder goed kon meekomen. Van het college kon niet worden gevergd de hierdoor ontstane situatie eindeloos te laten voortduren. Er is dan ook onvoldoende grond voor de stelling van appellant dat de overeenkomst onder invloed van dwang, dwaling of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Dit wordt niet anders indien rekening wordt gehouden met de beperkingen die appellant minder sterk in het leven doen staan.

3.7. De Raad komt tot de conclusie dat hetgeen door appellant naar voren is gebracht geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden inhoudt als onder 3.4 bedoeld. Dit betekent dat het verzoek om terug te komen op goede gronden is afgewezen.

3.8. Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) I. Mos.

HD