Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
10-315 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grondslag voor het standpunt van het College dat appellante woonplaats had buiten de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/315 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2009, 09/449 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding onder nr. 10/319 WWB, plaatsgevonden op 8 februari 2011. Voor appellante is verschenen mr. Pot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante ontving vanaf 1 juli 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Als vervolg op een controle door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam heeft de afdeling Handhaving/Opsporing van deze dienst een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 11 juli 2006 en een Rapport Handhaving Opsporing II van 12 juli 2006. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 22 januari 2007 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 februari 2005 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 83.126,11 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 26 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 januari 2007 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van 19 juni 2008, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellante tegen het besluit van 26 april 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van de uitspraak.

1.6. Bij ter uitvoering van deze uitspraak genomen besluit van 6 januari 2009 heeft het College het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, de periode waarover de bijstand is ingetrokken herzien en het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 54.148,07. Het College heeft de periode waarover wordt ingetrokken en teruggevorderd beperkt tot de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 maart 1999 en de periode van 24 juli 2001 tot en met 17 februari 2005. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met B.K. [A.] (hierna [A.]) op het adres [adres 2] te [gemeente] en in de periode van 24 juli 2001 tot en met 17 februari 2005 niet woonachtig was in [gemeente].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 6 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Periode van 1 juli 1997 tot en met 17 maart 1999

4.1.1. In zijn uitspraak van heden, nr. 10/319 WWB, heeft de Raad geoordeeld dat appellante en [A.] in de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerden. Gelet daarop en gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in de onderhavige zaak, moet appellante als gehuwd worden aangemerkt, zodat zij in die periode niet kan worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand.

4.1.2. Appellante heeft van de gezamenlijke huishouding bij het College geen melding gemaakt. Daarmee heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Nu als gevolg van die schending aan haar ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 17 maart 1999.

4.2. Periode van 24 juli 2001 tot en met 17 februari 2005

4.2.1. Tussen partijen is in geschil is of appellante in de periode van 24 juli 2001 tot en met 17 februari 2005 haar hoofdverblijf had in [gemeente].

4.2.2. Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.2.3. Met de rechtbank en anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante gedurende de hier te beoordelen periode woonplaats had buiten [gemeente]. De Raad verwijst daartoe in de eerste plaats naar de overwegingen van de rechtbank onder 2.12 tot en met 2.15. De Raad kent evenals de rechtbank betekenis toe aan de verklaringen van de omwonenden van het adres aan de [adres 1] te [gemeente]. Een tweetal omwonenden heeft verklaard dat appellante en [A.] vanaf maart/april 2005 op het adres [adres 1] te [gemeente] zijn komen wonen en hen daarvoor nog nooit hebben gezien. Zij hebben appellante en [A.] herkend van een foto als hun buren. Verder hecht de Raad belang aan de getuigenverklaringen van medewerkers van de scholen van de kinderen van appellante in [gemeente 2], waarbij is verklaard dat de moeder (appellante) en de vader ([A.]) twee kinderen hebben ingeschreven. Voorts is verklaard dat appellante de kinderen naar school bracht en van school haalde. Verder heeft één van de getuigen, mevrouw [K.], die fungeerde als oppas voor twee van de kinderen, verklaard dat appellante minstens 4 dagen per week aanwezig was in [gemeente 2]. De advocaat van appellante heeft in verband met het beroep op 4 maart 2008 een gesprek gevoerd met [K.]. Het verslag van dit gesprek is gevoegd bij het hoger beroepschrift en is door [K.] ondertekend. [K.] verklaart dat zij knieklachten kreeg, waarna zij niet meer voor de kinderen kon zorgen. Vervolgens heeft [A.] aan appellante gevraagd om naar [gemeente 2] te komen om voor de kinderen te zorgen als hij er niet was. De Raad concludeert dat beide verklaringen van [K.] op dit onderdeel met elkaar overeenstemmen en neemt aan de hand van die verklaringen aan dat de verzorging van de kinderen door mevrouw [K.] in de hier aan de orde zijnde periode was overgenomen door appellante.

4.2.4. Appellante heeft niet bij het College gemeld dat zij woonplaats had buiten [gemeente]. Aangezien het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat dit gegeven van belang kan zijn voor de beoordeling of zij jegens het College recht had op bijstand, heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is haar door het College over de hier te beoordelen periode ten onrechte bijstand verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de periode van 24 juli 2001 tot en met 17 februari 2005 in te trekken.

4.3. Appellante heeft de wijze waarop het College van de bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4.4. Met hetgeen hiervoor over de intrekking is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de over de in geding zijnde perioden aan appellante verleende bijstand van haar terug te vorderen. Appellante heeft de wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ