Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
10-2897 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAZ-uitkering. Geen sprake van relevante toegenomen functiestoornissen. Er zijn onvoldoende objectiveerbare gegevens voorhanden om te kunnen spreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Van enige onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2897 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s- Hertogenbosch van 12 april 2010, 09/929

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft I.M.H. Merks-Metz, werkzaam bij Merks Advies te Son, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 januari 2011 heeft de gemachtigde nadere stukken in het geding gebracht, waarop het Uwv bij brief van 4 februari 2011 heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellant en zijn gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, werkzaam als autoplaatwerker in loondienst, is in 1993 een ongeval overkomen waardoor hij onder andere een schedelbasisfractuur heeft opgelopen. Aan het einde van de wettelijke wachttijd is hem geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Nadien is hij in 1995 gaan werken als zelfstandig autopoetser voor - aanvankelijk - 10 uur per week. Na een ziekmelding

(in verband met psychische klachten) vanuit de situatie dat hij een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontving, is aan appellant per 10 november 1998 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) van 35 tot 45%. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv besloten de WAO- en de WAZ-uitkeringen van appellant in te trekken per 22 juli 2003, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was gedaald beneden de 15 respectievelijk 25%. Het bezwaar, beroep en hoger beroep van appellant hebben uiteindelijk geleid tot de uitspraak van de Raad van 18 maart 2009, LJN BH6481, waarvan de slotsom is dat vorenbedoeld besluit in rechte stand kan houden.

2. Nadat de aanvraag van appellant om WAZ-uitkering in verband met in 2006 toegenomen arbeidsongeschiktheid was afgewezen op grond van de Wet einde toegang verzekering WAZ, heeft appellant opnieuw, bij brief van 30 januari 2008, gesteld toegenomen arbeidsongeschikt te zijn geworden en wel begin januari 2004. Het Uwv heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek laten instellen. Daarbij is, arbitrair, het begin van de wachttijd gesteld op 2 januari 2004 en is geconcludeerd, dat ten aanzien van appellant voor toepassing van de WAZ geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 30 januari 2004, omdat de bij hem in 2003 vastgestelde beperkingen niet wezenlijk zijn verergerd. Bij besluit van 17 april 2008 is appellant toekenning van WAZ-uitkering geweigerd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, nadat de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans op 10 februari 2009 rapport had uitgebracht, bij besluit van 11 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen, dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen basis is om meer beperkingen aan te nemen dan die welke in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2003 zijn opgenomen. De door appellant in geding gebrachte stukken en de ter zitting van de rechtbank afgelegde getuigenverklaring van de huisarts van appellant werpen niet een zodanig ander licht op een en ander dat de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist zou moeten worden gehouden.

4. In hoger beroep is door appellant herhaald dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verlopen en is benadrukt dat het gaat om een combinatie van klachten: naast cognitieve en psychische problemen heeft appellant visusklachten en heeft hij last van doofheid. Daartoe is onder meer gewezen op het rapport van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts J.A.F. Leunisse, en op de informatie van zijn huisarts

J.A.M. Hoevenaars en de neuroloog dr. K. Keizer.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de eventuele aanspraken van appellant ingevolge de WAZ en dat dus niet de vraag aan de orde is of het Uwv appellant in het kader van de WAO toegenomen arbeidsongeschikt moet achten en zo ja per welke datum. Dit betekent dat derhalve evenmin de vraag voorligt of in dat kader de juiste maatman gehanteerd is. In verband met de Wet einde toegang verzekering WAZ kan rechtens alleen de vraag aan de orde zijn of voor appellant tussen het door hem gestelde moment, begin januari 2004, en uiterlijk 31 juli 2004 de verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 20 van de WAZ is aangevangen.

5.3. Ten aanzien van appellant zijn door de verzekeringarts in de FML van 2003 een aantal beperkingen opgenomen van cognitieve en psychische aard, terwijl daarin tevens is vermeld dat appellant last heeft van dubbelzien bij kijken naar rechts en dat hij last heeft van doofheid. Deze arts had daarbij de beschikking over informatie van de RIAGG. De bezwaarverzekeringsarts beschikte over de testresultaten blijkend uit een rapport van 1 juni 2004 van I. van Halteren, neuropsycholoog. Naderhand bij de beoordeling van de aanvraag uit 2008 heeft de verzekeringsarts Friessen rekening kunnen houden met informatie van de oogarts van appellant, van U.I. Dijkstra en K. Keizer neurologen en met een nieuw neuropsychologisch rapport van 30 november 2007 van W. Fonteijn. De verzekeringsarts heeft met recht de conclusie getrokken, dat alle klachten reeds in 2003 bekend waren en dat geen sprake is van relevante toegenomen functiestoornissen. De bezwaarverzekeringsarts heeft, ook naar aanleiding van nieuwe informatie van de neuroloog Keizer voornoemd, naar het oordeel van de Raad, voldoende deugdelijk onderbouwd, dat er althans ten aanzien van de hier in geding zijnde periode van 2 januari 2004 tot 31 juli 2004 onvoldoende objectiveerbare gegevens voorhanden zijn om te kunnen spreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Van enige onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek is niet gebleken.

5.4. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

CVG