Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
10-4536 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4536 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 juli 2010, 09/2289 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend vergezeld van een rapport van 5 oktober 2010 van de bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellante en haar gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, heeft zich op 30 april 2002 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Aan haar is na afloop van de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij gezien door een verzekeringsarts van het Uwv en is een arbeidskundig rapport uitgebracht. Op basis daarvan heeft het Uwv bij besluit van

13 juli 2007 haar WAO- uitkering per 14 september 2007 ingetrokken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar psychische klachten met aangepaste arbeid nog een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiensten van minder dan 15% ten opzichte van het zogenoemde maatmaninkomen resteert. Het door appellante tegen het besluit van 13 juli 2007 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 28 maart 2008 ongegrond verklaard.

2. Het door appellante tegen het besluit van 28 maart 2008 ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 29 april 2009, 08/1183, gegrond verklaard, waarbij het besluit van 28 maart 2008 is vernietigd en het Uwv is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, dat anders dan appellante had gesteld, zij niet verdergaand beperkt is op het psychisch vlak dan door het Uwv was aangenomen. Echter noch de verzekeringsarts noch de bezwaarverzekeringsarts heeft onderzoek ingesteld naar eventuele fysieke beperkingen, terwijl appellante wel had aangegeven last te hebben van whiplashklachten. Het had, nu aannemelijk is dat deze klachten ook al op de datum in geding bestonden, op de weg van (een van) deze artsen gelegen om lichamelijk onderzoek in te stellen, met name naar de gestelde klachten aan de nek, schouder en bovenarmen. Nu dit niet is geschied is het eerder genoemde besluit volgens de rechtbank onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

3. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft appellante opgeroepen voor het spreekuur van bezwaarverzekeringsarts Groeneveld. Deze arts heeft onder meer na lichamelijk onderzoek van appellante in zijn rapport van 1 juli 2009 gesteld, dat aanpassing van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) op het fysieke vlak niet nodig is. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 7 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij met name gesteld, dat haar fysieke beperkingen door het Uwv zijn onderschat.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard en daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

6. Namens appellante is in hoger beroep onder meer gesteld, dat door het Uwv ten onrechte geen beperkingen van fysieke aard in de FMl zijn opgenomen, waarbij is gewezen op de in het geding gebrachte informatie van haar huisarts en behandelend fysiotherapeut. Tevens is gesteld dat de aangevallen uitspraak in strijd is met de eerdere uitspraak van de rechtbank van 29 april 2009 en - kennelijk - deswege vernietigd moet worden.

7.1. De Raad oordeelt als volgt.

7.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2009 is appellante door de bezwaarverzekeringsarts Groeneveld gezien op zijn spreekuur. Appellante heeft toen gemeld dat zij na een auto-ongeval in 2002 whiplashklachten heeft gekregen, maar dat de gemaakte röntgenfoto’s geen afwijkingen lieten zien. Zij is daarna twee jaar onder behandeling geweest bij een fysiotherapeut, nadien enige jaren niet meer en pas weer in 2007 naar een fysiotherapeut verwezen. Op de datum in geding waren er geen andere behandelaars wat betreft haar fysieke klachten. Bij lichamelijk onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat zij wat moeite had met sommige bewegingen, maar dat er geen sprake was van evidente functiestoornissen. De Raad acht dit onderzoek niet onzorgvuldig en is van oordeel dat het Uwv met recht heeft aangenomen dat geen nadere beperkingen van fysieke aard in de FML opgenomen behoefden te worden. De Raad merkt daarbij nog op, dat met betrekking tot de psychische klachten van appellante en de juistheid in dit opzicht van de FML al door de rechtbank in eerder genoemde uitspraak van 29 april 2009 rechtens onaantastbaar is beslist. De door appellante in geding gebrachte informatie van haar huisarts en fysiotherapeuten is niet zodanig dat daarmee met recht twijfel wordt gewekt aan de bevindingen en conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Het Uwv heeft op juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2009.

7.3. De veronderstelde tegenstrijdigheid tussen de laatstgenoemde uitspraak en de aangevallen uitspraak berust deels op een onjuiste lezing van de uitspraak van 29 april 2009. In de eerste plaats spreekt de rechtbank aldaar slechts over de aannemelijkheid van het reeds bestaan van fysieke klachten op de datum in geding en rept zij niet over (de aanwezigheid van) beperkingen op bedoelde datum. In de tweede plaats betekent de in bedoelde uitspraak voorkomende zinsnede “de enkele constatering van de verzekeringsarts dat de nek van eiseres tijdens het gesprek normaal werd gebruikt (….), kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie niet dragen dat er geen lichamelijke beperkingen zijn” geenszins dat de rechtbank van oordeel was, dat er toen daadwerkelijk beperkingen waren of dat de rechtbank het aannemelijk acht dat deze bij onderzoek naar voren zouden komen. Ook de opmerking van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat de door de fysiotherapeut geconstateerde rug- en schouderklachten geen betrekking hebben op de datum in geding, is niet in strijd met de eerdere uitspraak: in de uitspraak van 29 april 2009 werd gedoeld op de door appellante ingezonden verklaring van de fysiotherapeut J. Lieshout, terwijl er in de aangevallen uitspraak slechts op wordt gewezen dat appellante eerst in mei 2009 onder behandeling van de fysiotherapeut D. Broersen is gekomen, zodat diens constateringen kennelijk alleen op en na die datum gelding hebben.

7.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen, stelt de Raad vast dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellante. In het arbeidskundig rapport van 2 juli 2007 (aangevuld in het rapport van 6 maart 2008) zijn de signaleringen met betrekking tot de belastbaarheid van deze functies in afdoende mate toegelicht.

7.5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad acht geen temen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

CVG