Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
10-5902 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het faxbericht van 18 februari 2010, waarmee appellant naar zijn zeggen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2010, succesvol is verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5902 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2010, 10/2587 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: College).

Datum uitspraak: 29 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 februari 2011. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.1. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft het College aangegeven de bijzondere bijstand voor de kosten van begeleiding bij Stichting Budget van appellant per 1 april 2010 te zullen beƫindigen.

1.2. Bij besluit van 20 april 2010 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 januari 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 april 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het faxbericht van 18 februari 2010, waarmee appellant naar zijn zeggen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 januari 2010, succesvol is verzonden.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het College het bezwaar van appellant bij besluit van 20 april 2010 terecht niet ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat appellant bij het instellen van het bezwaar de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en overweegt dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling is van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht en door de rechtbank gemotiveerd is verworpen. De Raad voegt daaraan toe dat - anders dan namens appellant is gesteld - de rechtbank niet heeft overwogen dat appellant aannemelijk heeft gemaakt de fax verzonden te hebben. De rechtbank heeft op grond van de overgelegde gespreksspecificatie uitsluitend geconstateerd dat er op 18 februari 2010 sprake is geweest van een verbinding tussen appellant en de gemeente, maar dat daaruit niet blijkt dat de verzending van het bezwaarschrift per fax is gelukt. Nu appellant desgevraagd geen verzendrapport heeft kunnen overleggen heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat sprake is geweest van een succesvolle verzending van het faxbericht.

4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R. Scheffer.

IJ