Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
10-5151 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging uitkering ingevolge de WAO. Aanvullende beperking. Begeleiding op maat. Theoretisch karakter van de arbeidsongeschiktheidsschatting. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat Horeman met zijn nader onderzoek de noodzakelijke vertaalslag heeft gemaakt van de voor appellant specifiek geldende arbeidsvoorwaarden en dat deze vertaalslag toereikend is voor de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant voor de hier in geding zijnde datum, 24 juni 2007. Aannemelijk is geworden dat appellant na een aanvankelijke begeleiding door de jobcoach en introductie omtrent de voor hem geldende concrete voorwaarden, na verloop van enige tijd zelfstandig de geduide werkzaamheden kan verrichten.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/190
USZ 2011/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5151 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2010, 09/2731 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Namens appellant is verschenen mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 9 mei 2007 heeft het Uwv, beslissend op het bezwaar van appellant, zijn besluit van 29 juni 2006 tot de beëindiging van appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 30 augustus 2006 niet gehandhaafd en besloten tot beëindiging van de uitkering met ingang van 24 juni 2007. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 3 december 2007 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 5 juni 2009, LJN BI8070, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 3 december 2007 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 9 mei 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Aan de uitspraak van de Raad wordt het volgende ontleend:

“4.3.1. Verzekeringsarts Van der Zwaag kan zich blijkens zijn in hoger beroep ingebrachte rapportage verenigen met de door bezwaarverzekeringsarts B.A. Admiraal opgestelde FML, indien met een aanvullende beperking rekening wordt gehouden. Het betreft hier de begeleiding op maat naar de daadwerkelijke arbeidssituatie waarbij de match tussen appellant en collega’s op de werkplek dient te worden beoordeeld. Bepalend voor de belastbaarheid van appellant is dat hij zich thuis kan voelen op de werkplek, dat hij zich gesteund weet door de leiding, dat hij het goed kan vinden met collega’s en dat hij zich veilig voelt.

4.3.2. Ten aanzien van de door verzekeringsarts Van der Zwaag noodzakelijk geachte aanvullende beperking wordt door bezwaarverzekeringsarts Hovy onder meer opgemerkt dat dergelijke variabele persoonlijke affiniteiten niet door de verzekeringsarts in de FML kunnen worden opgenomen. Voorts is het een eis van goed werkgeverschap, zo stelt de gemachtigde van het Uwv ter zitting, om een veilige werkomgeving met steun en begrip te waarborgen.

4.3.3. De Raad begrijpt de reactie van Hovy op de rapportage van Van der Zwaag aldus dat hij met Van der Zwaag ziet dat bij appellant niet alleen gelet op de lange periode dat hij geen betaalde arbeid heeft verricht maar ook gelet op zijn psychische gesteldheid en beperkingen voorwaarden gelden voor de inpassing in arbeid in de vorm van specifieke arbeidsmogelijkheden zoals door Van der Zwaag in zijn rapportage is beschreven. Voor zover Hovy stelt dat de aanvullende voorwaarde niet in de FML meegenomen kan worden, overweegt de Raad dat Hovy daarvan wel in zijn rapportage ten behoeve van een nadere arbeidskundige beoordeling melding had kunnen maken. Het had vervolgens op de weg van de (bezwaar)-arbeidsdeskundige gelegen om de geschiktheid van de geduide functies voor appellant op dit aspect opnieuw te beoordelen. Nu dit niet is gebeurd is naar het oordeel van de Raad onvoldoende komen vast te staan dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voldoen aan de in de rapportage van Van der Zwaag genoemde en door Hovy niet verworpen voorwaarde. Dat betekent dat het bestreden besluit een deugdelijke onderbouwing mist, hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen en het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

4.4. Voor het overige oordeelt de Raad dat de beperkingen van appellant een juiste weerslag in de FML hebben gevonden (…).”.

1.3. Ter uitvoering van die uitspraak van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts

W.C. Hovy in zijn rapport van 7 juli 2009 over de onder 1.2 geciteerde, door verzekeringsarts L.T. van der Zwaag gestelde, aanvullende beperkingen geconcludeerd dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geen wijziging behoeft. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman nader onderzoek gedaan naar deze aanvullende beperkingen bij de eerste vijf functies, die bij de schatting zijn gebruikt. In zijn rapport van 27 juli 2009 heeft Horeman geconcludeerd dat na onderzoek is gebleken dat in vier van de vijf functies het mogelijk is appellant te begeleiden naar arbeid, die aan de aanvullende beperkingen voldoet. Horeman heeft daarom een functie geschrapt, maar vastgesteld dat dit niet leidt tot wijziging van de klasse minder dan 15%.

1.4. Bij besluit van 19 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2006 wederom gegrond verklaard en onveranderd beslist dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 24 juni 2007 minder is dan 15%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgt niet het betoog van appellant dat in zijn geval, gelet op de voor hem gelden beperkingen bij de inpassing in arbeid, geen theoretische schatting mogelijk is. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 december 2005, LJN AU8161, is de rechtbank van oordeel dat binnen het theoretische karakter van een arbeidsongeschiktheidsschatting geen plaats is voor op de concrete en daadwerkelijke invulling van theoretische functies toegesneden voorwaarden zoals vermeld door Hovy in diens rapport van 7 juli 2009. Uit de uitspraak van de Raad van 5 juni 2009 volgt evenmin dat een theoretische schatting van appellant is uitgesloten. De in het kader van het arbeidskundig onderzoek aan appellant voorgehouden functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming met de voor appellant vastgestelde beperkingen. Uit het arbeidskundig onderzoek volgt voorts dat appellant een zodanig inkomen kan verdienen, dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden geacht.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Gelet op het hoger beroep en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat partijen verdeeld worden gehouden door de vraag of in het geval van appellant, gezien de door Van der Zwaag aanvullend gestelde en door Hovy overgenomen medische beperkingen, zoals verwoord in de uitspraak van de Raad van 5 juni 2009 onder 4.3.1, een theoretische schatting mogelijk is. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

3.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 december 2005, LJN AU8161, geoordeeld dat binnen een arbeidsongeschiktheidsschatting, gelet op het theoretische karakter ervan, geen plaats is voor een op de concrete en daadwerkelijke invulling van theoretische functies toegesneden voorwaarde. De op grond van de psychische gesteldheid van appellant door Hovy in aanvulling op de FML geformuleerde beperkingen voor inpassing in de arbeid van appellant zijn naar het oordeel van de Raad aan te merken als zo’n voorwaarde, waarvoor binnen de theoretische schatting als de onderhavige geen plaats is. Horeman heeft deze aanvullende beperkingen dan ook met recht ‘vertaald’, als onder 3.3 aan te geven, naar voor de toepassing van het CBBS hanteerbare criteria.

3.3. Teneinde op grond van deze aanvullende beperkingen tot een theoretische schatting te komen heeft Horeman in zijn rapport van 27 juli 2009, zoals aangevuld in het rapport van 30 november 2010 met bijlagen, uiteengezet, waaraan de te duiden functies moeten voldoen. Bij de theoretische functies moet duidelijk zijn dat er geen sprake is van een autoritair gekleurde arbeidshiërachie. Verder dient een jobcoach een intakegesprek te voeren met appellant en de werkgever om de concrete voorwaarden voor re-integratie door te nemen. Daarbij moet ruimte zijn, met name bij aanvang van een dienstverband, voor een wekelijkse evaluatie alsook de garantie dat appellant steeds in overleg kan treden met de jobcoach. Horeman schat de duur van de begeleiding op drie maanden met de mogelijkheid tot verlenging zo een en ander uit de praktijk nodig mocht blijken. Horeman heeft vervolgens aan de verschillende arbeidsdeskundige analisten van vijf geduide functies de vraag heeft voorgelegd of in de organisatie van de geënquêteerde functies sprake is van autoritair gekleurde arbeidshiërarchie en of bij de betreffende werkgever een jobcoach is toegestaan die voor de benodigde introductie kan zorgen en hoe de werkgever daar tegenover staat. Uit de reacties op deze vraagstelling is Horeman gebleken dat de beperking ‘geen autoritair gekleurde arbeidshiërarchie’ geen voorkomende bedrijfscultuur is en dat slechts één van de vijf bedrijven een jobcoach op voorhand afwijst. In de overige vier functies is gebleken dat het instrument om appellant te begeleiden naar de concrete arbeidsmarkt volledig beschikbaar is voor de duur van de benodigde invulling ervan.

3.4. Naar het oordeel van de Raad heeft Horeman bij zijn onderzoek en beoordeling van de resultaten daarvan zich voldoende rekenschap gegeven van de in aanvullende beperkingen opgenomen persoonlijke affiniteiten van appellant en de daaraan verbonden bijzondere vereisten die moeten worden gesteld aan de inrichting van de arbeid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat Horeman met zijn nader onderzoek de noodzakelijke vertaalslag heeft gemaakt van de voor appellant specifiek geldende arbeidsvoorwaarden en dat deze vertaalslag toereikend is voor de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant voor de hier in geding zijnde datum, 24 juni 2007. De Raad onderschrijft voorts het standpunt van het Uwv, in navolging van Horeman, dat aannemelijk is geworden dat appellant na een aanvankelijke begeleiding door de jobcoach en introductie omtrent de voor hem geldende concrete voorwaarden, na verloop van enige tijd zelfstandig de geduide werkzaamheden kan verrichten.

3.5. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit een juiste uitvoering is van de uitspraak van de Raad van 5 juni 2009 en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

IvR