Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
09-3071 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De bezwaarverzekeringsarts had voldoende beeld van de omvang en zwaarte van het werk. Geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3071 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2009, 08/3666 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Appellant noch zijn raadsvrouw is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker gedurende 40 uren per week via een uitzendbureau, toen hij op 7 april 2008 voor dit werk met pijnklachten van hoofd, nek en schouder alsmede hartkloppingen en duizelingen is uitgevallen. Naar aanleiding van die ziekmelding is appellant op het spreekuur van 9 mei 2008 en 18 juni 2008 door de verzekeringsarts T. Urcun onderzocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 23 juni 2008 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het Uwv besloten dat appellant met ingang van 23 juni 2008 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 11 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens appellant blijkt uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts niet dat deze arts - in tegenstelling tot de primaire verzekeringsarts - er wel van op de hoogte was dat appellant ten tijde hier van belang onder behandeling was van de fysiotherapeut. Bovendien wordt in die rapportage gesuggereerd dat de klachten van appellant onveranderd zijn, terwijl appellant duidelijk heeft aangegeven pijn te hebben aan de linkerzijde van zijn nek en hij daardoor niet lang kan lopen, staan en zitten. Op grond van die informatie had de bezwaarverzekeringsarts inlichtingen moeten opvragen bij de huisarts en de fysiotherapeut. Ten slotte is appellant van mening dat de rechtbank het bestreden besluit had moeten vernietigen wegens het ontbreken van een omschrijving van de door appellant verrichte arbeid.

5. Het Uwv heeft in het verweerschrift het standpunt van appellant gemotiveerd weersproken.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit is in het geval van appellant de functie van tuinbouwmedewerker gedurende 40 uren per week.

6.2. De Raad deelt het standpunt van appellant niet dat de rechtbank het bestreden besluit had moeten vernietigen wegens het ontbreken van een werkomschrijving van zijn feitelijk verrichte arbeid. Op basis van de door appellant aan de (bezwaar)verzekeringsarts verstrekte gegevens omtrent zijn werkzaamheden, te weten veel staand en lopend werk, snijden en pluizen van bloemen en trekken van de kar met afgesneden rozen tot 10 kg, komt het de Raad voor dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende beeld had van de omvang en zwaarte van het werk.

6.3. Voorts ziet de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Weegink. Daarbij tekent de Raad aan dat deze bezwaarverzekeringsarts appellant op het spreekuur van 7 augustus 2008 heeft onderzocht en bij de beoordeling ook - anders dan appellant kennelijk meent - de beschikking had over de informatie dat appellant onder behandeling was van de fysiotherapeut. Blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant tijdens het spreekuur aangegeven dat hij buiten fysiotherapeutische behandeling niet onder behandeling is van andere behandelaars en heeft appellant de bezwaarverzekeringsarts laten zien welke oefeningen hij van de fysiotherapeut dagelijks moet doen. Ook heeft appellant aangegeven dat hij in 2007 bij de neuroloog is geweest en dat deze geen afwijkingen kon vaststellen. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige gegevens van de behandelend sector heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht kunnen concluderen dat voldoende informatie aanwezig was om tot een adequate oordeelsvorming te kunnen komen en dat appellant op de datum in geding in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker te hervatten.

6.4. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde informatie inzake een door de huisarts van appellant ondertekende aanvraag voor paramedische hulp, te weten fysiotherapie, overweegt de Raad dat deze informatie geen ander licht werpt op de beperkingen van appellant. Allereerst is deze aanvraag gedateerd op 11 juni 2009, dus bijna een jaar na de datum hier in geding, en overigens ziet de aanvraag op andere klachten dan waarvoor appellant voor zijn werk was uitgevallen, namelijk klachten van de linkerknieschijf.

7. Hetgeen onder 6.2 tot en met 6.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 23 juni 2008 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK