Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
10-3656 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om peiljaarverlegging, naar aanleiding van verzoek om herberekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, berust op goede gronden. De in 2006 genoten boekwinst is het éénmalige gevolg van verkoop van de onderneming, althans de grond (inclusief water) en de opstallen met gebruikmaking waarvan hij die onderneming dreef, op 10 april 2006. Wat er op dàt moment aan rundveehouderij nog over was van het aanvankelijk gemengd agrarische bedrijf in gemeente 1 is door appellant overgebracht naar gemeente 2 en daar uitgebreid. Dat appellant noodgedwongen - in de zin van bedrijfseconomische overwegingen die hem geen andere “keuze” lieten - is overgegaan tot beëindiging van de varkenstak vóór 2006, is aannemelijk, maar kan niet leiden tot de conclusie dat het verhoudingsgewijs hoge inkomen in 2006 daaraan is toe te schrijven. De verplaatsing (met uitbreiding) in 2006 van de rundveetak van gemeente 1 naar gemeente 2 kan dan ook zeker niet worden aangemerkt als (gehele of gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging. Dat het hier om een éénmalige zaak gaat, is op zichzelf onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van een niet normale inkomensschommeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3656 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 mei 2010, 08/2310 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is aan de orde een uitspraak over een door de hoofddirectie van de IB-Groep (IB-Groep) genomen besluit. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van die wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Mr. S. Lemhour, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en de Minister heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lemhour alsook door E. Bredewold, werkzaam bij Alfa Accountants en Adviseurs te IJsselmuiden. Voor de Minister is verschenen dr. K. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 november 2008 heeft de Minister ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het in het “Bericht Ouder 2008, nr. 2” van 20 september 2008 vervatte besluit tot afwijzing van zijn verzoek om de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage in de zin van artikel 3.13 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) over het studiejaar 2008 te baseren op zijn inkomen in 2007 in plaats van op zijn inkomen in het zogenoemde peiljaar 2006 (hierna: verzoek om peiljaarverlegging).

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 21 november 2008 ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - het volgende overwogen.

2.2.1. Uit constante rechtspraak van de Raad vloeit voort dat bij de beantwoording van de vraag of inkomensschommelingen in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen:

a. de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving en b. de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen.

2.2.2. Blijkens de stukken exploiteerde appellant een agrarisch bedrijf met rundvee- en varkenstak in [naam gemeente 1]. Aan zelfstandig ondernemerschap is in de regel eigen dat inkomensschommelingen plegen voor te komen. Een inkomensschommeling zal slechts in zeer bijzondere situaties niet als normaal worden aangemerkt. Appellants eenmalig hoge inkomen in 2006 is het gevolg van appellants keuze om zijn bedrijf in [naam gemeente 1] te beëindigen en in [naam gemeente 2] voort te zetten met alleen een rundveetak.

In aanmerking genomen dat de wetgever in de Wsf 2000 in diverse andere artikelen heeft aangesloten bij fiscale begrippen en uitgangspunten, bestaat bij de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een vorm van (definitieve) gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging aanleiding om aan te sluiten bij de door de fiscus gekozen waardering van de aan de orde zijnde situatie.

2.2.3. De door appellant overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2006 geeft geen aanleiding tot een bevestigend antwoord op die vraag, aangezien appellant daarin geen stakingswinst heeft opgevoerd en evenmin is gebleken dat de verkoop van de onderneming in [naam gemeente 1] in fiscale zin is gekwalificeerd als (gedeeltelijke) staking van de onderneming in verband waarmee door de Belastingdienst stakingswinst is toegerekend. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat appellant de vrijgekomen “stakingswinst” (gedeeltelijk) heeft gebruikt om te investeren in de nieuwe onderneming, zodat de opbrengsten uit de verkoop van de onderneming in [naam gemeente 1] ook in materieel opzicht niet gelijk zijn te stellen aan een gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging.

2.2.4. Appellant heeft ervoor gekozen zijn bedrijf om te vormen van een agrarisch bedrijf met rundvee- en varkenstak naar een agrarisch bedrijf elders met rundveetak. Zonder meer valt aan te nemen dat appellant als gevolg van de omstandigheden was gedwongen deze keuze te maken. Bij zo’n geenszins ongebruikelijke wijziging in de bedrijfsvoering behoren inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. De inkomensschommeling veroorzaakt door de in het kader van de wijziging van de bedrijfsvoering verrichte verkoop van de onderneming in [naam gemeente 1] maakt onderdeel uit van het totaal van de inkomensschommeling als gevolg van de wijziging van de bedrijfsvoering. De Minister is dan ook terecht gekomen tot het oordeel dat zich geen situatie voordoet als hiervoor bedoeld, zodat appellant niet voor peiljaarverlegging in aanmerking komt.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het in de agrarische sector niet gebruikelijk is om een bedrijf gedeeltelijk te beëindigen dan wel te verplaatsen en dat een inkomensschommeling in dit eenmalige specifieke geval dan ook als zeer ongebruikelijk is aan te merken. De beslissing om in 2006 het agrarische bedrijf in [naam gemeente 1] geheel te staken was geen keuze, maar noodgedwongen vanwege de onrendabel gebleken investeringen ter grootte van zo’n € 200.000,-- in een poging tegemoet te komen aan de in 2002 van hogerhand opgelegde strengere welzijns- en milieueisen voor met name de varkenstak alsook de omstandigheid dat het zich volledig richten op de (melk)rundveetak ter plaatse niet mogelijk was vanwege het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden, zodat moest worden uitgeweken naar het allesbehalve naastgelegen [naam gemeente 2].

Het gaat hier om twee zelfstandige onderdelen van dezelfde onderneming waarvan het ene is beëindigd, zodat er wat de varkenstak betreft in fiscaal opzicht sprake is van staking, ook al is in de aangifte inkomstenbelasting over 2006 niet apart stakingswinst opgevoerd. Aangezien sinds 2001 het verschil tussen jaarwinst en stakingswinst niet meer relevant is, kan de anders gekozen verwerking van de staking in de aangifte inkomstenbelasting over 2006 niet afdoen aan de kwalificatie staking.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De rechtbank heeft de vaste rechtspraak van de Raad correct weergegeven, ontleend aan een drietal uitspraken van de Raad van 24 juli 2009 (LJN BJ4254, BJ4255 en BJ4259) in aanverwante kwesties over vaststelling van de veronderstelde ouderbijdrage en een in dat kader ingediend verzoek om verlegging van het peiljaar. Dáárover bestaat tussen partijen geen verschil van mening.

4.3. Waarop dit geschil is toegespitst is de vraag of appellants in verhouding tot de jaren voor en het jaar na 2006 hoge inkomen in 2006 het gevolg is van de beëindiging door hem tussen 2002 en 2006 van de varkenstak als onderdeel van het gemengd agrarische bedrijf dat hij tot 10 april 2006 in [naam gemeente 1] had en/of de verkoop/levering per die datum van de grond (inclusief water) en de opstallen met gebruikmaking waarvan hij de nog slechts uit de rundveetak bestaande onderneming in [naam gemeente 1] dreef om met die tak in [naam gemeente 2] een doorstart (met in [naam gemeente 1] niet mogelijke uitbreiding) te maken.

Dat is naar het oordeel van de Raad niet het geval.

4.4. In 2003 heeft appellant besloten de varkenstak (in étappes) te beëindigen, nadat was gebleken dat de in 2002 gedane investering niet rendabel was als gevolg van de tegenvallende prijzen voor biggen, en zich volledig te concentreren op de rundveetak. De aan die étappegewijze beëindiging van de varkenstak verbonden fiscale voordelen zijn door appellant genoten in een of meer jaren vóór 2006, het jaar waarin appellant is overgegaan tot verkoop van zijn onderneming, althans van de grond (inclusief water) en de opstallen met gebruikmaking waarvan hij die onderneming dreef. Aangezien de rundveehouderij op de bestaande schaal in [naam gemeente 1] niet voldoende lonend werd geacht, heeft appellant besloten de rundveetak uitgebreid voort te zetten in [naam gemeente 2]. Ter zitting van de Raad is komen vast te staan dat appellant in 2006 geen met de beëindiging van de varkenstak verband houdend fiscaal voordeel in welke vorm dan ook (stakingswinst, stakingsaftrek, stakingsvrijstelling of anderszins) heeft genoten. Blijkens de gedingstukken heeft appellant in antwoord op een vraag van de Belastingdienst opgegeven dat de onderneming in het boekjaar 2006 geheel noch gedeeltelijk is gestaakt. Dat, zoals appellant desgevraagd heeft verklaard, het antwoord op die vraag in fiscaal opzicht irrelevant was, maakt dat antwoord niet anders.

4.5. De in 2006 genoten boekwinst is het éénmalige gevolg van verkoop van de onderneming, althans de grond (inclusief water) en de opstallen met gebruikmaking waarvan hij die onderneming dreef, op 10 april 2006. Wat er op dàt moment aan rundveehouderij nog over was van het aanvankelijk gemengd agrarische bedrijf in [naam gemeente 1] is door appellant overgebracht naar [naam gemeente 2] en daar uitgebreid. Dat appellant noodgedwongen - in de zin van bedrijfseconomische overwegingen die hem geen andere “keuze” lieten - is overgegaan tot beëindiging van de varkenstak vóór 2006, is aannemelijk, maar kan niet leiden tot de conclusie dat het verhoudingsgewijs hoge inkomen in 2006 daaraan is toe te schrijven. De verplaatsing (met uitbreiding) in 2006 van de rundveetak van [naam gemeente 1] naar [naam gemeente 2] kan dan ook zeker niet worden aangemerkt als (gehele of gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging. Dat het hier om een éénmalige zaak gaat, is op zichzelf onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van een niet normale inkomensschommeling.

5. Het in 4.2 tot en met 4.5 overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

NK