Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
10-3942 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie in verband inkomsten uit arbeid. Appellant heeft niet (met objectief verifieerbare bewijsstukken) aannemelijk gemaakt dat de Zwitserse werkgever bedragen op het loon heeft ingehouden in verband met appellants arbeidsongeschiktheid. Het Uwv is terecht uitgegaan van de bedragen die op de loonstroken staan vermeld. Geen afzonderlijke gronden tegen de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3942 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] in Zwitserland, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2010, 09/2187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Tel, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, kantoor `s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2011. Appellant is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was in Nederland werkzaam als servicemonteur toen hij zich met ingang van 20 mei 1998 arbeidsongeschikt meldde in verband met de gevolgen van een verkeersongeval. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd ontving appellant, die voor 50% had hervat bij zijn werkgever in aangepast werk, een WAO-uitkering welke met ingang van 1 juli 2001 werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft zijn dienstverband in Nederland opgezegd en is op 1 november 2004 geremigreerd naar Zwitserland. Appellant is met ingang van 1 januari 2005 een voltijds arbeidscontract in Zwitserland aangegaan. Bij besluit van 18 september 2008 heeft het Uwv de betaling van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2008 geschorst vanwege het vermoeden dat hij geen recht meer had op die uitkering.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 18 november 2008 in verband met inkomsten uit arbeid de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2005 niet langer betaald en voorts vastgesteld dat deze uitkering met ingang van 1 januari 2005 diende te worden beëindigd. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 18 november 2008 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 oktober 2008 ten bedrage van € 56.256,19 van appellant teruggevorderd.

3.1. De toenmalige gemachtigde van appellant heeft tegen de beide in overweging 2 vermelde besluiten bezwaar gemaakt en daarbij onder andere aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de kosten die appellant dagelijks heeft moeten maken om bij zijn werkgever te kunnen werken. Ter telefonische hoorzitting van 10 maart 2009 is namens appellant dagelijks aangegeven dat het gaat om evenvermelde kosten en aanpassingskosten van de werkplek die appellant zelf moest betalen. Tevens is afgesproken dat binnen twee weken informatie over die kosten zou worden verstrekt.

3.2. Bij besluit van 7 april 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 18 november 2008 gegrond verklaard en deze besluiten niet langer gehandhaafd. Het Uvw heeft in het bestreden besluit verwezen naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 maart 2009, waarin is vastgesteld dat sprake was van wisselende verdiensten en waarbij een bijlage was gevoegd met een berekening van die verdiensten per maand, de koersverschillen bij omrekening en de invloed van de uitkomst daarvan op het maandelijkse verlies aan verdiencapaciteit. Gelet hierop heeft het Uwv vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van

1 januari 2005 met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt betaald naar de klasse 15 tot 25% en met ingang van 1 januari 2006 naar de klasse 25 tot 35%. Het terugvorderingbedrag werd bepaald op € 34.815,05. Inzake de door appellant gestelde kosten overwoog het Uwv dat deze niet aangetoond zijn of aannemelijk gemaakt.

4. In beroep heeft appellant zijn bezwaargrond betreffende de door hem gemaakte kosten herhaald en voorts aangegeven dat hij niet heeft nagelaten het Uwv te informeren over zijn werkzaamheden.

5.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5.2. De rechtbank heeft wat betreft de inlichtingenplicht overwogen dat het Uwv aan het bestreden besluit geen schending daarvan ten grondslag heeft gelegd maar op basis van de inkomsten uit arbeid een berekening heeft gemaakt van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2005 in verband met die inkomsten - met toepassing van artikel 44 van de WAO - diende te worden uitbetaald.

5.3. Wat betreft de door appellant gestelde kosten die hij zou hebben moeten maken om bij zijn Zwitserse werkgever te kunnen werken overwoog de rechtbank als volgt: “Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat, nu eiser niet (met objectief verifieerbare bewijsstukken) aannemelijk heeft gemaakt dat de Zwitserse werkgever bedragen op het loon van eiser heeft ingehouden in verband met eisers arbeidsongeschiktheid, verweerder terecht is uitgegaan van de bedragen die op eisers loonstroken staan vermeld. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.”

5.4. Ten slotte hield de in het bestreden besluit vervatte terugvordering naar het oordeel van de rechtbank in rechte stand.

6. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep voorgedragen gronden en argumenten herhaald. Bij faxbericht, gedateerd 12 juli 2010, verzonden op 9 februari 2011 en ingekomen bij de Raad op laatstgenoemde dag, heeft de gemachtigde van appellant verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van het onderhavige geding en vaststelling van een nieuwe datum omdat appellant zelf niet ter zitting van 11 februari 2011 aanwezig kon zijn en zijn aanwezigheid gewenst was in verband met een door hem te verstrekken toelichting op het belasting- en verzekeringssysteem in Zwitserland. Bij brief van 10 februari 2001 heeft de gemachtigde naar aanleiding van de brief van de griffier van 10 februari 2011, houdende mededeling van afwijzing door de Raad van evenvermeld verzoek, de Raad verzocht hem een termijn van 14 dagen te gunnen om, na verstrekking door appellant van de benodigde gegevens, het hoger beroep aan te vullen.

7.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien de beide in overweging 6 vermelde verzoeken in te willigen omdat appellant voldoende tijd heeft gehad, maar deze ongebruikt heeft laten verstrijken, om de betreffende gegevens in te dienen. Reeds in de bezwaarprocedure was appellant een termijn gegund om nadere informatie te overleggen zonder dat die gegevens zijn ingebracht. Ook in beroep en in hoger beroep zijn die gegevens, hoewel aangekondigd, niet tijdens de schriftelijke fase van de behandeling daarvan overgelegd. Voorts zijn van de zijde van appellant geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan overwogen zou kunnen worden het niet (veel) eerder inbrengen van die gegevens verschoonbaar te achten.

7.2. Van de zijde van appellant zijn in hoger beroep ten opzichte van het bij de rechtbank behandelde beroep tegen het bestreden besluit geen nieuwe gronden en argumenten ingebracht. De Raad volstaat dan ook met verwijzing naar de in de overwegingen 5.2 en 5.3 van deze uitspraak samengevat weergegeven oordelen van de rechtbank ter zake, nu hij deze volledig onderschrijft. Hetzelfde geldt voor de bij het betreden besluit bijgestelde terugvordering waartegen namens appellant ook in hoger beroep geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd.

7.3. Gelet op de overwegingen 7.1 en 7.2 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR