Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
10-4683 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering berust op zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende beperkingen in acht genomen. Geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt. Voldoende toelichting gegeven op de in deze functies naar voren gekomen signaleringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4683 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 19 juli 2010, 09/487 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het hoger beroep is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van de Raad van 21 januari 2010. Partijen zijn – met kennisgeving – niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft het Uwv de uitkering die appellante ontving in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 december 2004 ingetrokken. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2004 is bij besluit van 9 maart 2005 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Nadat de rechtbank bij uitspraak van 9 januari 2006 (05/566) het beroep van appellante tegen bestreden besluit I ongegrond had verklaard, heeft de Raad bij uitspraak van 11 april 2008 (LJN BD0916) de evengenoemde uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit I wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat dit besluit niet berustte op een zorgvuldig medisch onderzoek.

1.1. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts A. Laros een medisch onderzoek verricht in welk verband hij naast bestudering van het dossier informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector en appellante zelf heeft onderzocht. Bij besluit van 6 maart 2009 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard en het Uwv veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven inzake griffierecht en proceskosten.

2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), met name ten aanzien van hand- en vingergebruik, allergieën en gehoor. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij, omdat tussen de datum in geding en het laatste onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts een periode van bijna vier jaar is gelegen, thans niet goed meer in staat is om haar bezwaren tegen de FML te onderbouwen. Ook acht appellante de functies niet passend.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat bestreden besluit II op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. De Raad merkt in dit verband op dat uit het rapport van Laros van 1 oktober 2008 naar voren komt dat hij alle voorgaande omtrent appellante opgestelde verzekeringsgeneeskundige rapporten heeft bestudeerd, kennis heeft genomen van informatie van de huisarts en de behandelend Keel-, Neus- en Oorarts en deze informatie bij zijn beoordeling heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante, behoudens met de duizeligheidsklachten waarvoor in de FML een aanvullende beperking moet worden aangenomen voor werken op hoogte. Op 1 oktober 2008 is de FML op dit onderdeel aangepast. Naar aanleiding van in beroep overgelegde medische stukken heeft bezwaarverzekeringsarts M. Bakker in het rapport van 16 juli 2009 gemotiveerd aangegeven dat deze informatie geen reden vormt om af te wijken van het eerdere medische oordeel. Daarbij wees Bakker op het gestelde in het meergenoemde rapport van Laros ten aanzien van het ontbreken van de noodzaak om meer beperkingen aan te nemen voor hand- en vingergebruik, fybromyalgie, pijn, overgewicht, gehoor en de allergie voor enkel huisstofmijt. Appellante heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding. De grief van appellante met betrekking tot het (lange) tijdsverloop van de procedure waardoor appellante stelt niet goed in staat te zijn om haar standpunt goed te onderbouwen vindt geen steun in de feiten nu er voldoende medische informatie van rond de datum in geding in het dossier beschikbaar is gekomen.

3.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de op 1 oktober 2008 vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043), huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333), textielproductenmaker (sbc-code 111160) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman op 7 maart 2005 een toelichting heeft gegeven op de in deze functies naar voren gekomen signaleringen en dat bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk op 12 november 2008 in de Notities Functiebelasting nogmaals de signaleringen heeft toegelicht en de functies gemotiveerd als passend heeft aangemerkt.

4. Uit de overwegingen 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK