Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
31-03-2011
Zaaknummer
09-3133 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloon-WIA. Extraterritoriale kostenregeling. Geen ongelijke behandeling. Geen sprake van een kostenvergoedingsregeling waardoor een bepaald percentage van het loon voor extraterritoriale kosten wordt aangemerkt. Het is niet zo dat op grond van de regeling 30% van haar loon wordt aangemerkt als belastingvrij te genieten kostenvergoeding doch is het zo dat appellante – naast het loon van de werkgever – terzake van haar migratie kostenvergoedingen kan ontvangen waarvoor bij het beantwoorden van de vraag of sprake dient te zijn van loonheffing een bewijsregel geldt. Het niet zo dat tegenover een forfaitaire onkostenvergoeding een arbeidsprestatie is geleverd. Dat appellante de regeling anders ervaart en mogelijk in de onderhandelingen met de werkgeefster een lager loon heeft bedongen bij een hogere vergoeding van extraterritoriale kosten, kan hier niet aan afdoen. Geen sprake is van (in)directe ongelijke behandeling naar nationaliteit. Door de wijziging van het maatmaninkomen is ook het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd. Dit reden het besluit te vernietigen. De wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft geen gevolgen voor de hoogte of de duur van de WGA-uitkering. Daarom blijven de rechtsgevolgen geheel in stand.

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 9
Wet op de loonbelasting 1964 15a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/162
USZ 2011/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3133 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 april 2009, 09/188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Wind, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De voormalige werkgeefster van appellante, de Stichting Groningse Schoolvereniging, heeft zich in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, als partij gevoegd in het geding en haar zienswijze bekend gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Namens de Stichting Groningse Schoolvereniging is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, van Britse nationaliteit, is in 2000 vanuit het Verenigd Koninkrijk in Nederland gaan werken, laatstelijk als lerares op een basisschool met een internationale afdeling. Op 21 november 2005 is zij uitgevallen met psychische klachten.

1.2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv van 17 december 2008 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) waarbij ongegrond is verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2008 waarbij is vastgesteld dat voor appellante met ingang van 10 juni 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering en dat de mate van arbeidsongeschiktheid 44,79% is, waarmee zij dus in de categorie 35 tot 80% valt. De resterende verdiencapaciteit is vastgesteld op € 12,46. Tevens is vastgesteld dat het dagloon € 113,01 bedraagt, gebaseerd op een referteperiode van 1 november 2004 tot en met 31 oktober 2005. Bij de berekening van het dagloon is de vergoeding waarover geen loonbelasting is geheven op grond van artikel 15a, onder j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 buiten beschouwing gelaten.

1.3. In het verweerschrift dat het Uwv bij de rechtbank heeft ingediend, heeft het Uwv zich – naar aanleiding van een grief dienaangaande – op het standpunt gesteld dat het maatmaninkomen inderdaad ten onrechte niet is geactualiseerd naar 10 juni 2008. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het maatmaninkomen opnieuw berekend. Gebleken is dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van het gecorrigeerde maatmaninkomen 45,66% is en dus onveranderd op 35 tot 80% dient te worden bepaald. De wijziging van het maatmaninkomen heeft geen gevolgen voor de uitkomst van het bestreden besluit, aldus het Uwv.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 december 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijze waarop het dagloon is berekend in strijd is met het non-discriminatie beginsel neergelegd in artikel 3, eerste lid, van Verordening EG 1408/71 en artikel 7, tweede lid, van Verordening EG 1612/68. Zij is het er niet mee eens dat het Uwv het deel van haar loon dat op grond van artikel 15 van de Wet LB onbelast is gebleven, geen deel laat uitmaken van de berekening van het dagloon. Zij wordt op deze wijze minder gunstig behandeld dan nationale werknemers die aanspraak kunnen maken op proportionele vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen, welke geen nadelig effect hebben op de sociale zekerheidsrechten.

4.2. Ingevolge artikel 13 van de WIA, artikel 24 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen en artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) moet onder dagloon worden verstaan 1/261 deel van het loon in het refertejaar, waarbij onder loon wordt verstaan het loon overeenkomstig Hoofdstuk II van de Wet LB. Niet in geschil is dat appellante in de referteperiode de fiscale voordelen heeft genoten van de extraterritoriale kosten-regeling als bedoeld in de artikelen 15 en 15a van de Wet LB en artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel 15, sub a, van de Wet LB bepaalt dat vrije vergoedingen zijn vergoedingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB luidt als volgt: Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten), met dien verstande dat voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van kosten van verblijf buiten het land van herkomst - voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers gedurende ten hoogste tien jaar - ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30 percent van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden.

Art. 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting luidde ten tijde in geding en voor zover hier van belang als volgt:

“1. Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten, respectievelijk ter voorkoming van kosten van verblijf buiten het land van herkomst worden, ten aanzien van ingekomen werknemers op gezamenlijk verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige, in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot (bewijsregel):

a. 30% van de grondslag, waarbij de grondslag is de som van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst voorzover de ingekomen of uitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting, en de vergoeding voor extraterritoriale kosten.(…).”.

Voor het deel van de referteperiode dat ligt in 2004 is van toepassing artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de CSV. Ingevolge de op artikel 6 van de CSV gebaseerde Regels inzake de beoordeling vergoeding werknemers tot bestrijding extraterritoriale kosten ter behoorlijke vervulling dienstbetrekking (Stcrt. 2000, 248 en 2003, 250) strekken vergoedingen in de zin van dit artikellid in ieder geval tot bestrijding van ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking gemaakte kosten, indien zij worden verstrekt aan een werknemer behorend tot de groep die op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB is aangewezen en indien wordt voldaan aan de voorwaarden bij en krachtens artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB bepaald.

4.3. Naar het oordeel van de Raad is – anders dan appellante stelt - geen sprake van een kostenvergoedingsregeling “waardoor een bepaald percentage van het loon voor extraterritoriale kosten wordt aangemerkt.”. Er is blijkens de tekst van de bepaling sprake van een regeling die op verzoek van de werknemer en de inhoudingsplichtige (werkgever) wordt toegepast en die – wordt het verzoek ingewilligd – met zich brengt dat door de werkgever aan de werknemer betaalde vergoedingen worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten. Zolang de kostenvergoeding blijft onder de grens van 30% van de grondslag, geldt de bewijsregel dat deze wordt beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten. Worden er kosten boven de grens vergoed, dan kunnen deze nog steeds worden aangemerkt als vrij van loonheffing te genieten extraterritoriale kosten doch geldt een andere bewijspositie. Anders dan appellante stelt, is het niet zo dat op grond van de regeling 30% van haar loon wordt aangemerkt als belastingvrij te genieten kostenvergoeding doch is het zo dat appellante – naast het loon van de werkgever – terzake van haar migratie kostenvergoedingen kan ontvangen waarvoor bij het beantwoorden van de vraag of sprake dient te zijn van loonheffing de bovenvermelde bewijsregel geldt. Het is mitsdien ook niet zo dat, zoals appellante stelt, tegenover een forfaitaire onkostenvergoeding een arbeidsprestatie is geleverd. Dat appellante de regeling anders ervaart en mogelijk in de onderhandelingen met de werkgeefster een lager loon heeft bedongen bij een hogere vergoeding van extraterritoriale kosten, kan hier niet aan afdoen.

4.4. Appellante stelt dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van werknemers die in Nederland verblijven en die in aanmerking komen voor belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen. Deze vergoedingen en verstrekkingen zijn in aanvulling op het loon en hebben niet tot gevolg dat een deel van het loon geen deel uitmaakt van het dagloon. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat zij minder gunstig wordt behandeld dan nationale werknemers. De regeling wordt op verzoek van appellante op haar toegepast. Zij had er voor kunnen kiezen geen verzoek daartoe in te dienen en, zonder gebruik te maken van de bewijsregel, het standpunt kunnen innemen dat bepaalde vergoedingen vrij van loonheffing dienen te blijven. Voorts overweegt de Raad dat appellante, evenals een niet migrerende werknemer, in aanvulling op haar loon vergoedingen van haar werkgeefster kan ontvangen. Voor alle categorieën vergoedingen en verstrekkingen geldt dat zij, indien zij vrij van loonheffing worden genoten, geen deel uitmaken van het dagloon. Daarbij komt dat appellante in aanmerking kan komen voor vergoeding van extraterritoriale kosten met toepassing van een voor appellante gunstige bewijsregel, voor welke kostenvergoeding een niet migrerende werknemer niet in aanmerking komt. Naar het oordeel van de Raad kan niet met vrucht gesteld worden dat sprake is van (in)directe ongelijke behandeling naar nationaliteit.

4.5. Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het in beroep gewijzigde standpunt van het Uwv ten aanzien van de hoogte van het maatmaninkomen de rechtbank ertoe had moeten brengen het beroep gegrond te verklaren. Appellante heeft erop gewezen dat de resterende verdiencapaciteit de grondslag vormt van de inkomenseis als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de WIA en dat de mate van arbeidsongeschiktheid bepalend is voor de hoogte van de vervolguitkering ingevolge artikel 62, eerste lid, van de WIA.

4.6. De Raad is met appellante van oordeel dat de resterende verdiencapaciteit bepalend is voor de inkomenseis en daarmee voor het recht op loonaanvullingsuitkering. Echter, de Raad volgt appellante niet in haar stelling dat door de wijziging van het maatmaninkomen de resterende verdiencapaciteit is gewijzigd. Onder resterende verdiencapaciteit wordt ingevolge artikel 60, lid 4, van de Wet WIA en artikel 10, lid 1, sub b, van het Schattingsbesluit verstaan het op maand- of uurbasis berekende loon van de middelste van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Deze is door het Uwv vastgesteld op € 12,46 bruto per uur en nadien niet meer gewijzigd.

4.7. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is door de wijziging van het maatmaninkomen wél gewijzigd, immers, het is gestegen van 44,79 naar 45,66. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is bepalend voor de hoogte van de vervolguitkering ingevolge artikel 62, eerste lid, van de WIA. De Raad is met appellante van oordeel dat de rechtbank in de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage aanleiding had dienen te zien het bestreden besluit te vernietigen. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het bestreden besluit vernietigen met beslissingen over proceskosten en griffierecht. De wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft geen gevolgen voor de hoogte of de duur van de WGA-uitkering die appellante vanaf 10 juni 2008 heeft ontvangen. De Raad is van oordeel dat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven.

5. De Raad ziet gelet op het overwogene onder 4.7 reden voor veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, tot een bedrag van in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde het besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR