Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
09-2754 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Geen volledige heroverweging, het College heeft in getrapte vorm op bezwaar beslist. Finale geschilbeslechting. Betrokkene heeft alsnog de gevraagde bankafschriften overgelegd. Tussenuitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2754 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 april 2009, 08/760 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Gans.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Hij heeft daarbij bepaald dat betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld om nadere stukken over te leggen. Betrokkene heeft nadere stukken overgelegd en partijen hebben over en weer schriftelijk gereageerd. De Raad heeft vervolgens met toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving van 4 november 2002 tot en met 30 september 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In verband met het verlaten van de echtelijke woning per 1 oktober 2006 heeft betrokkene verzocht om bijstand naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 1 oktober 2006. Betrokkene heeft opgegeven woonachtig te zijn aan [adres 1] te Maastricht. Naar aanleiding van dat verzoek heeft appellant een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van betrokkene. In dat kader heeft op 29 november 2006 een gesprek met betrokkene plaatsgevonden en is na afloop daarvan een huisbezoek afgelegd aan de woning op het door betrokkene opgegeven adres.

1.3. De bevindingen van dat onderzoek, neergelegd in een rapportage van 4 december 2006, zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 4 december 2006 de aanvraag om bijstand van betrokkene af te wijzen op de grond dat betrokkene niet woont op het door hem opgegeven adres. Hierbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat betrokkene hierdoor niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

1.3. Bij besluit van 14 februari 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2008, 07/507, is het beroep tegen het besluit van 14 februari 2007 - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dit besluit wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

1.4. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft appellant bij besluit van 11 april 2008 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 4 december 2006 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en de Sociale Dienst opgedragen het recht op bijstand van betrokkene vanaf 1 oktober 2006 opnieuw te beoordelen met inachtneming van dit besluit.

1.5. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft appellant de aanvraag om bijstand van betrokkene met ingang van 1 oktober 2006 afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat er onvoldoende gegevens zijn om de aanvraag te behandelen. Hierbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat onder meer de bankafschriften over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 22 december 2006 ontbreken en dat hierom reeds verschillende malen schriftelijk is verzocht. Volgens appellant heeft betrokkene hiermee niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting met als gevolg dat niet kan worden beoordeeld of hij in een situatie verkeert als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 april 2008 - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dit besluit wegens schending van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt dat de rechtbank terecht en op goede gronden het beroep van betrokkene tegen het besluit van 11 april 2008 gegrond heeft verklaard en dat besluit heeft vernietigd, nu appellant bij dat besluit het primaire besluit van 4 december 2006 heeft herroepen, maar daarvoor niet een volledig nieuw besluit in de plaats heeft gesteld. Dit heeft ertoe geleid dat in getrapte vorm op het bezwaar wordt beslist. Dit is in strijd met de in artikel 7:11, eerste en tweede lid, van de Awb neergelegde verplichtingen tot volledige heroverweging van het bezwaar en tot het, voor zover nodig, nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

4.2. De stelling van appellant dat betrokkene geen belang meer had bij deze vernietiging, omdat appellant op 5 augustus 2008 inmiddels een nieuw besluit had genomen, waartegen niet tijdig bezwaar is gemaakt, houdt geen stand. De rechtbank heeft dit besluit van 5 augustus 2008, dat gezien moet worden als een aanvulling op het besluit op bezwaar van 11 april 2008 en waarmee niet volledig aan de bezwaren van betrokkene tegemoet werd gekomen, ten onrechte niet in de beroepsprocedure betrokken.

4.3. De Raad constateert dat appellant, hoewel daartoe verplicht omdat zijn hoger beroep geen schorsende werking heeft, geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Met het oog op de finale geschilbeslechting en de processuele belangen van betrokkene zal de Raad daarom thans het besluit van 5 augustus 2008 in de procedure betrekken en dat besluit inhoudelijk beoordelen.

5.1. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting had geschonden. Op grond van de gedingstukken alsmede het ter zitting verhandelde staat immers vast dat betrokkene niet heeft voldaan aan de verzoeken van appellant om binnen de door appellant gestelde termijn de gevraagde bankafschriften over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 22 december 2006 over te leggen.

5.2. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting als hier bedoeld (de omvang van) het recht op bijstand in de loop van de (hoger) beroepsprocedure aan de hand van nader verkregen informatie alsnog kan worden vastgesteld, dient naar vaste rechtspraak van de Raad, zie de uitspraken van 25 september 2007, LJN BB4385, en 22 april 2008, LJN BD0559, daartoe te worden overgegaan en is er geen plaats meer voor het oordeel dat de aanvraag om bijstand moet worden afgewezen op de grond dat het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld.

5.3. In hoger beroep heeft betrokkene uiteindelijk alsnog de gevraagde bankafschriften over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 22 december 2006 overgelegd. Dit betekent dat er geen grond meer is voor het standpunt van appellant dat het recht van betrokkene op bijstand over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 22 december 2006 wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Hieraan doet niet af dat betrokkene de gevraagde bankafschriften ook niet binnen de daarvoor ter zitting afgesproken termijn van drie weken heeft overgelegd.

5.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit op bezwaar van 11 april 2008, aangevuld op 5 augustus 2008, ook inhoudelijk voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad zal de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden bevestigen, behoudens de aan appellant gegeven opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en die opdracht alsmede het besluit van 5 augustus 2008 vernietigen.

5.5. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het - deels reeds vernietigde en deels nog te vernietigen - besluit op bezwaar niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar van 11 april 2008, zoals aangevuld op 5 augustus 2008, te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

5.6. De Raad merkt voorts nog op dat appellant zich ter zitting bereid heeft verklaard de aan het opvragen van voormelde nadere stukken verbonden kosten aan betrokkene te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt appellant op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit op bezwaar van 11 april 2008, aangevuld op 5 augustus 2008, te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

IJ