Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
09-2231 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van verjaring van de besluiten tot terugvordering en medeterugvordering. Gezien de bedoeling van de wetgever, was het College bevoegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB de ten aanzien van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleidsregel ter zake van terugvordering. Geen grond voor het oordeel dat het College in afwijking van de beleidsregel, geheel of gedeeltelijk van terugvordering en medeterugvordering had moeten afzien.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/113
USZ 2011/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2231 WWB

09/2235 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),en[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/1537 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.J. Jacobs, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Appellanten en hun gemachtige zijn, zoals bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 februari 1984 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 27 maart 2000 heeft het College een anonieme brief ontvangen. Appellante zou niet op het door haar opgegeven adres wonen, maar bij appellant. Omdat de daarop ingestelde huisbezoeken niet het benodigde bewijsmateriaal opleverden, is er geen verdere actie ondernomen.

1.3. Op 22 januari 2007 heeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een melding van een medewerker van woningbouwvereniging Eigen Haard ontvangen, waarin deze het vermoeden uit dat appellante niet op het opgegeven adres woont. Naar aanleiding daarvan heeft de DWI een onderzoek ingesteld. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is de Gemeentelijke Basis Administratie geraadpleegd, is een huisbezoek verricht op het door appellante opgegeven woonadres, zijn buurtonderzoeken verricht in de omgeving van het door appellante opgegeven woonadres en het door appellant opgegeven woonadres, is informatie ingewonnen bij de verhuurder van de door appellante gehuurde woning, is informatie ingewonnen bij de school van de dochter van appellante en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 20 maart 2007, alsmede in een rapport uitkeringsfraude van de Sociale Recherche van 10 september 2007.

1.4. Bij besluit van 26 september 2007 heeft het College de bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2007 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 119.767,08 van haar teruggevorderd. De besluiten berusten op de overweging dat appellante zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant op het adres van appellant, [adres] te [woonplaats]. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 26 september 2007 heeft het College appellant meegedeeld dat dit bedrag mede van hem wordt teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 10 maart 2008 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 26 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

10 maart 2008 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat

er geen aanleiding is om aan te nemen dat de vordering van het College op appellanten is verjaard. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat het College eerst op 10 september 2007 bekend is geworden met het bestaan van de vordering. Waar het betreft de medeterugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat het voor de toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB niet van belang is of het recht op bijstand daadwerkelijk heeft bestaan. Voor de toepassing van dit artikellid staat centraal het niet tijdig melden van een gezamenlijke huishouding aan het College.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1 De Raad stelt vast dat de intrekking van de bijstand en de hoogte van de terugvordering niet in geschil zijn.

4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

4.3. Met de rechtsbank is de Raad van oordeel dat het College op de datum waarop het onderzoek van de sociale recherche is afgesloten - 10 september 2007 - bekend is geworden met het bestaan van een vordering op appellante. Daarvan uitgaande, diende het College om verjaring te voorkomen vóór 10 september 2012 besluiten tot terugvordering en medeterugvordering te nemen, waaraan het College ruimschoots heeft voldaan door de besluiten van 26 september 2007 te nemen. Evenals de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat van verjaring van de besluiten tot terugvordering en

medeterugvordering geen sprake is.

4.4. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.5. Niet in geschil is dat appellanten in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellant. Volgens het College is ook aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB voldaan, omdat de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat appellante de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.6. Appellant heeft aangevoerd dat de letterlijke tekst van deze bepaling zich tegen medeterugvordering van hem verzet, omdat hij ten tijde in geding beschikte over een inkomen boven de geldende bijstandsnorm, zodat geen sprake is van de situatie dat gezinsbijstand had moeten zijn verleend. Bovendien was hij financieel in goede doen, zodat hij niet daadwerkelijk profijt heeft gehad van de verleende bijstand.

4.7. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 mei 2003, LJN AG0223, met betrekking tot de overeenkomstige bepaling in de Algemene bijstandswet, is de Raad van oordeel dat ook hier doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de bedoeling van de wetgever, die nog steeds onverkort geldt, en die inhoudt, kort gezegd, dat het verantwoord wordt geacht dat de terugvordering zich mede uitstrekt tot de persoon met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, omdat diens middelen bij een juiste toepassing van de wet in aanmerking zouden zijn genomen en bovendien deze persoon geacht kan worden profijt te hebben gehad van de bijstand, welke als gevolg van de onjuiste inlichtingen is verstrekt. Hieruit volgt dat het College op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd was over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2007 de ten aanzien van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

4.8. Met betrekking tot de wijze waarop het College van de bevoegdheid tot terugvordering en medeterugvordering gebruik heeft gemaakt is de Raad van oordeel dat het College heeft gehandeld overeenkomstig zijn beleidsregel ter zake van terugvordering. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van de beleidsregel, geheel of gedeeltelijk van terugvordering en medeterugvordering had moeten afzien.

4.9. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.C.P. Venema en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.

HD