Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10-861 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vergoeding van materiële en immateriële schade. De door appellant gestelde materiële schade staat niet in een zodanig verband met het besluit ter zake van de schriftelijke berisping dat zij het college als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. De immateriële schade is niet de berisping geweest maar (de gevolgen van) het besluit tot ontheffing van de taak betreffende het park dat hem geestelijk heeft geraakt. Appellant beschouwde het onderhouden van het park en de verzorging van de dieren daar als zijn levenswerk en dit werk bood hem veel arbeidsvreugde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/861 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 15 januari 2010, 09/158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door L. Smallegange, juridisch adviseur te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage, en [naam ing.], werkzaam bij de gemeente [naam gemeente].

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en naar de uitspraak van de Raad van 10 mei 2007, 05/6960 AW en LJN BA5926 (hierna: uitspraak 1). De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, [naam functie] bij de dienst [naam dienst] van de gemeente [naam gemeente], werd in 2001 als taak toegewezen het houden van toezicht op en het beheer van het [naam park]. Deze taak hield onder andere in het dagelijks openen en sluiten van de hekken van het park. Voor deze taak werd appellant een toelage van f 989,52 bruto per maand toegekend. Tevens werd hem een woning in het park als dienstwoning toegewezen.

1.2. Bij besluit van 19 januari 2004 werd appellant de straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens het overtreden van een hem opgelegd verbod door op 11 december 2003 de hekken van het park te openen. Voorts werd hij, wegens voorgevallen incidenten met bezoekers van het park, met ingang van 1 februari 2004 in zijn functie van [naam functie] overgeplaatst en ontheven van zijn onder overweging 1.1 vermelde taak. Bij besluit van 15 september 2004 is het bezwaar van appellant tegen het eerstgenoemde besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 21 oktober 2005 het besluit van 15 september 2004 in stand gelaten.

1.3. De Raad heeft bij uitspraak 1 de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 21 oktober 2005 vernietigd, voor zover daarbij het beroep ter zake van de appellant opgelegde schriftelijke berisping ongegrond was verklaard, het bestreden besluit op dit onderdeel vernietigd en het college opgedragen over de berisping een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hiertoe heeft de Raad, samengevat, overwogen dat van een voor appellant kenbaar verbod dat hij op 11 december 2003 zou hebben overtreden, niet is gebleken. Voor het overige is de aangevallen uitspraak bevestigd. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college ter uitvoering van uitspraak 1 de appellant opgelegde schriftelijke berisping ingetrokken.

1.4. Appellant heeft bij brief van 26 november 2007 toegelicht bij brief van 7 januari 2008, het college verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade, veroorzaakt door de hem ten onrechte opgelegde schriftelijke berisping. De materiële schade is gesteld op € 21.522,96 bruto, wegens gederfde inkomsten; de immateriële schade is in hoofdzaak toegeschreven aan het appellant afgenomen zijn van de taak van toezicht en beheer van het [naam park].

1.5. Het college heeft het verzoek om schadevergoeding bij besluit van 16 juni 2008 afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij het bestreden besluit van 29 december 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de gestelde materiële schade geen verband houdt met de ingetrokken berisping, maar met het intussen rechtens onaantastbaar geworden overplaatsingsbesluit en daarmee de ontheffing uit de taak betreffende het [naam park]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ook niet aangetoond dat de door hem gestelde immateriële schade verband houdt met de ingetrokken berisping.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De materiële schade

3.1.1. De Raad stelt eerst vast dat de rechtbank ter beoordeling van deze vordering de juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd.

3.1.2. Verder overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de door appellant gestelde materiële schade niet in een zodanig verband staat met het besluit ter zake van de schriftelijke berisping dat zij het college als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Zoals ook naar voren komt uit de overwegingen 5.1 tot 5.3 van uitspraak 1, is het wegvallen van de toelage een direct gevolg van het besluit tot overplaatsing en daarmee de opheffing van de taak betreffende het park.

3.2. De immateriële schade

3.2.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat op appellant de verplichting rust om aan te tonen dat het gestelde geestelijk letsel een onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van het besluit inzake de schriftelijke berisping.

3.2.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in dat bewijs niet is geslaagd. In de eerste plaats wijst de Raad op de gegevens van de Arbodienst van 12 februari 2004 en 3 maart 2004 in verband met de ziekmelding van appellant op 28 januari 2004. Volgens deze gegevens waren er bij appellant psychische beperkingen die toegeschreven werden aan een slepend arbeidsconflict, en wel omtrent het toezicht in het [naam park] en een eerder gespeeld hebbende kwestie betreffende bijzondere opsporingsbevoegdheid van appellant. In deze gegevens ligt dus geen steun voor de stelling van appellant dat de berisping bepalend is geweest voor het gestelde geestelijk leed. Resten de twee verslagen van de psycholoog drs. J.R.H. de Haaij te Dordrecht. In het eerste verslag van 4 februari 2008 is enkel sprake van een ingrijpende arbeids-conflictsituatie die de psychische beperkingen van appellant verklaren. In het tweede verslag van 17 juli 2008 vermeldt de psycholoog, dat hij de vraag van appellant of diens ziektebeeld uitsluitend is veroorzaakt door de schriftelijke berisping, niet met volledige zekerheid bevestigend kan beantwoorden omdat vele modaliteiten een rol spelen, zonder verder het effect van de berisping een plaats te geven. Dit is niet voldoende. Overigens blijkt ook uit de beschrijvingen van appellant, dat het niet de berisping is geweest maar (de gevolgen van) het besluit tot ontheffing van de taak betreffende het [naam park] dat hem geestelijk heeft geraakt. Dit komt onder meer naar voren uit de in overweging 1.4 genoemde brief van 7 januari 2008 en uit het verslag van de psycholoog De Haaij van 17 juli 2008, erop neerkomende dat appellant het onderhouden van het park en de verzorging van de dieren daar als zijn levenswerk beschouwde en dat dit werk hem veel arbeidsvreugde bood.

4. Het voorgaande wijst uit dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A.J.Schaap en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD