Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
09/5911 AKW + 09/5912 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en weigering kinderbijslag. Niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de zoon vanaf het vierde kwartaal van 2005 gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal onderwijs heeft gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5911 AKW en 09/5912 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 september 2009, 08/1046 en 08/3542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 24 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Cortet, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. Cortet, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant woont in [naam gemeente]. In december 2005 heeft appellant een bewijs van studie aan de Svb doen toekomen met betrekking tot zijn zoon [naam zoon], geboren op [in] 1989. In deze verklaring is vermeld dat [naam zoon] gedurende het studiejaar 2005/2006 in Marokko verbleef en aldaar onderwijs volgde aan het [naam Institut] te [vestigingsplaats]. De Svb heeft vervolgens tot en met het derde kwartaal van 2006 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan appellant toegekend voor [naam zoon].

1.2. In december 2006 heeft appellant ook voor het studiejaar 2006/2007 een bewijs van studie van zijn zoon [naam zoon] aan de Svb toegestuurd. De Svb heeft vervolgens een buitendienstopdracht gegeven voor een onderzoek bij het [naam Institut] te Marokko. Bij besluit van 5 februari 2007 heeft de Svb aan appellant medegedeeld dat de betaling van kinderbijslag voor [naam zoon] met ingang van het vierde kwartaal van 2006 is opgeschort.

1.3. Bij brief van 3 september 2007 heeft een attaché voor Sociale Zaken te Rabat aan de Svb de resultaten medegedeeld van het onderzoek dat is verricht door twee van haar medewerkers. In deze brief is vermeld dat de directeur van het [naam Institut] aanvankelijk weigerde mee te werken aan het onderzoek en dat hij pas nadat was gedreigd het Ministerie van Onderwijs in te schakelen het schooldossier van [naam zoon] heeft laten zien. Daarin waren slechts een geboorteakte en een pasfoto van [naam zoon] opgenomen en een schoolverklaring voor [naam zoon] over het studiejaar 2004/2005 afkomstig van een andere school. Verder weigerde de directeur het rooster en de presentielijsten van [naam zoon] te laten zien. De medewerkers van de attaché hebben vervolgens [naam zoon] en enkele familieleden gesproken. Tijdens dat gesprek is aan [naam zoon] gevraagd of hij gegevens over de studiejaren 2005/2006 en 2006/2007 kon tonen zoals schriften en schoolboeken. [naam zoon] kon toen slechts één schrift tonen waarin aantekeningen van drie lessen waren vermeld. [naam zoon] heeft vervolgens tegen de medewerkers verklaard dat hij geen zin had om te leren.

1.4. Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft de Svb aan appellant bericht dat vanaf het vierde kwartaal van 2005 geen recht bestaat op kinderbijslag voor [naam zoon], omdat hij minder dan 213 uur per kwartaal onderwijs volgde.

1.5. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij is aangevoerd dat [naam zoon] wel voldoende uren heeft besteed aan zijn studie. Ter ondersteuning van die stelling zijn de lesroosters van [naam zoon] voor de studiejaren 2005/2006 en 2006/2007 overgelegd.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 25 februari 2008 (hierna: besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 oktober 2007 ongegrond verklaard.

1.7. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft de Svb de over het vierde kwartaal van 2005 tot en met het derde kwartaal van 2006 ten onrechte aan appellant betaalde kinderbijslag voor [naam zoon] ten bedrage van € 1.280,13 van appellant teruggevorderd. Tevens is daarbij aan appellant een boete opgelegd van € 132,-, omdat appellant niet tijdig aan de Svb heeft gemeld dat [naam zoon] geen onderwijs meer volgde.

1.8. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 31 oktober 2008 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd de rechtbank geenszins aanleiding heeft gegeven om de bevindingen van het onderzoek in Marokko in twijfel te trekken.

3. Namens appellant is in hoger beroep kort samengevat aangevoerd dat hij onevenredig in zijn belangen wordt getroffen doordat de directeur van het [naam Institut] diens administratie niet op orde had. Voorts betwist [naam zoon] ten stelligste dat hij verklaard zou hebben dat hij geen zin had om te leren.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is in hoger beroep primair in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat niet kan worden aangenomen dat [naam zoon] gedurende de studiejaren 2005/2006 en 2006/2007 gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal onderwijs heeft gevolgd.

4.2. De Raad stelt voorop dat op grond van artikel 7, tweede lid, van de AKW voor een kind van 16 of 17 jaar, zoals [naam zoon], slechts aanspraak bestaat op kinderbijslag indien het kind in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal, dan wel werkloos of arbeidsongeschikt is. Appellant heeft aangevoerd dat [naam zoon] gedurende de in geschil zijnde kwartalen onderwijs volgde in Marokko.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het rapport van de attaché tal van vragen oproept over de geloofwaardigheid van de verklaringen van het [naam Institut] uit december 2005 en 2006 over het volgen van onderwijs door [naam zoon] in die studiejaren. Bij het bezoek aan de school door medewerkers van de attaché bleek [naam zoon] daar niet aanwezig te zijn en de directeur van de school kon geen gegevens tonen over de aanwezigheid van [naam zoon] op school, over diens rooster en over de studieresultaten van [naam zoon]. De toen door de directeur ingevulde controleformulieren over het aantal uren dat [naam zoon] onderwijs heeft gevolgd stemmen ook niet overeen met de in 2005 en 2006 door hem afgegeven schoolverklaringen. Bij het aansluitende bezoek van de onderzoekers aan het woonadres van [naam zoon] bleek hij niet thuis te zijn, omdat hij volgens zijn broers lessen volgde. Toen de onderzoekers later [naam zoon] spraken kon hij geen goede informatie over de studie verstrekken en verklaarde hij uiteindelijk geen zin te hebben om te leren.

4.4. Verder zijn door of namens appellant geen bewijsstukken overgelegd, die twijfel oproepen ten aanzien van de resultaten van dit onderzoek. Namens appellant zijn weliswaar enige lesroosters overgelegd, doch daaruit blijken weer andere gegevens over het aantal lesuren van [naam zoon], dan uit de verklaringen van de directeur. Tevens blijkt uit die roosters niet of [naam zoon] toen ook daadwerkelijk onderwijs heeft gevolgd. Namens appellant zijn in ieder geval geen gegevens overgelegd, zoals studieresultaten of cijferlijsten, waaruit afgeleid kan worden dat [naam zoon] onderwijs heeft gevolgd. Ten slotte is nog een lesrooster over het studiejaar 2005/2006 overgelegd, waarin wordt aangegeven dat toen door [naam zoon] gedurende 34 weken 24 lessen zijn gevolgd van 60 minuten. Op grond van dit rooster moet geconcludeerd worden dat gedurende dat studiejaar gemiddeld 204 lesuren per kwartaal zijn gevolgd, zijnde minder dan tenminste 213, zodat op grond van dat lesrooster, daargelaten wat daar verder van zij, toen in ieder geval niet werd voldaan aan het gestelde minimum aantal lesuren per kwartaal.

4.5. De Raad is gelet op al deze gegevens - in onderling verband bezien - van oordeel dat niet als vaststaand aangenomen kan worden dat [naam zoon] vanaf het vierde kwartaal van 2005 gedurende gemiddeld tenminste 213 klokuren per kwartaal onderwijs heeft gevolgd. Dit betekent dat de Svb terecht heeft besloten om de aan appellant toegekende aanspraak op kinderbijslag voor [naam zoon] over het vierde kwartaal van 2005 tot en met het derde kwartaal van 2006 op grond van artikel 14a van de AKW te herzien en om vanaf het vierde kwartaal van 2006 kinderbijslag ten behoeve van [naam zoon] te weigeren aan appellant.

4.6. Namens appellant zijn ook in hoger beroep voorts geen andere gronden aangevoerd tegen de terugvordering van de onverschuldigd betaalde kinderbijslag en tegen de opgelegde boete. Met de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen is de Raad van oordeel dat ook deze besluiten in rechte stand kunnen houden.

4.7. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ