Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10-769 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Deugdelijk en gemotiveerd besluit. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd die hierop een ander licht werpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/769 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 10 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 december 2009, kenmerk BZ 9366, JZ/I/70/2009. Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2011. Appellant is, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1944, heeft in april 2009 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 november 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Erkend is dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo (te weten internering gedurende één week in het Kloosterkamp te Buitenzorg tijdens de Bersiap-periode). Verweerder heeft vervolgens overwogen dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo door het oorlogsgeweld. In dat verband is overwogen dat de bij appellant aanwezige psychische en lichamelijke klachten niet in verband staan met het ondervonden oorlogsgeweld.

1.3. In beroep heeft appellant betwist dat de bij hem aanwezige klachten niet in verband staan met het oorlogsgeweld.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wubo moet de Raad beoordelen of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellant geen sprake is van met de internering samenhangend tot blijvende invaliditeit leidend letsel.

2.2. Het standpunt van verweerder dat er geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld is in overeenstemming met de adviezen van de geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op een rapport van een door de arts G.J.A.M. van Welle verricht onderzoek van appellant en er is rekening gehouden met de ontvangen informatie van de huisarts van appellant. In de medische adviezen is aangegeven dat de (korte) internering niet in belangrijke mate van invloed is geweest - de Raad neemt aan dat bedoeld zal zijn niet van betekenende invloed - op het ontstaan van de bij appellant aanwezige psychische klachten (PTSS en een persoonlijkheidstoornis). Deze klachten worden toegeschreven aan gebeurtenissen die na de internering hebben plaatsgevonden, zoals de dreigingen van pemoeda’s en de mishandelingen door de stiefvader. Uit de medische adviezen blijkt verder dat de lichamelijke klachten (hoge bloeddruk, hartklachten, migraine en huidklachten) evenmin in verband met het ondervonden oorlogsgeweld kunnen worden gebracht. De migraine en het eczeem zijn omschreven als constitutioneel bepaalde aandoeningen en aangenomen wordt dat de hartklachten en hoge bloeddruk verband houden met verschillende factoren waaronder constitutionele factoren en leefwijze.

2.3. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd die hierop een ander licht werpen.

2.4. Appellant heeft in beroep nog naar voren gebracht dat zijn broers en zusters dezelfde ellendige periode hebben ondervonden en wel zijn erkend. De Raad merkt in dat verband op dat het beantwoorden van de vraag of een aanvrager aan zijn oorlogsomstandigheden te relateren klachten heeft en of hij daardoor blijvend invalide is geworden, berust op een individuele medische beoordeling. Aangezien elk individu de meegemaakte oorlogsomstandigheden op zijn eigen manier verwerkt, is bij een medische beoordeling een vergelijking met lotgenoten niet aan de orde.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

RB