Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP9035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
10-808 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een aanvraag op grond van de Wubo. Onvoldoende basis om vast te stellen dat het een calamiteit in de zin van de Wubo betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/808 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 10 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te 's Gravenhage, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 december 2009, kenmerk BZ 9195 JZ/E60/2009 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2011. Voor appellant is mr. Schenkhuizen verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1933 in het toenmalig Nederlands-Indiƫ, heeft in 2004 een aanvraag op grond van de Wubo ingediend. Bij besluit van 30 juni 2004 is deze aanvraag afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat niet is gebleken van gebeurtenissen die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2. Op 1 januari 2009 heeft appellant opnieuw verzocht om voor aanspraken op grond van de Wubo in aanmerking te komen. Bij besluit van 23 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder ook dit verzoek afgewezen. Verweerder was van mening dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aanleiding geven om de eerdere afwijzing te herzien.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het verzoek van 1 januari 2009 is door verweerder terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 30 juni 2004.

2.2. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal of appellant feiten of omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.3. De oorspronkelijke aanvraag uit 2004 steunde in hoofdzaak op de eigen verklaring van appellant, behorende bij het ten behoeve van die aanvraag opgemaakte sociaal rapport, en op een schriftelijke verklaring van zijn in 1935 geboren broer. Ter ondersteuning van het verzoek om herziening heeft appellant alleen een nadere verklaring van deze broer overgelegd. Daarin worden geen wezenlijk andere gebeurtenissen genoemd dan reeds in de eerdere verklaring waren vermeld. Wel zijn over drie van de reeds vermelde gebeurtenissen nadere bijzonderheden gegeven.

2.4. De Raad is met verweerder van oordeel dat de nadere verklaring van de broer geen nieuw licht op de zaak werpt zoals onder 2.2 bedoeld. Dat de arrestatie van de moeder en haar gevangenhouding gedurende een week met grof geweld gepaard zijn gegaan, en dat zij gehavend en verdrietig met blauwe plekken is thuisgekomen, is in de eerdere verklaringen niet vermeld. Er is ook niets concreets naar voren gekomen omtrent de aard van het geweld of de ernst van de verwondingen van de moeder. Gelet hierop zijn er onvoldoende aanknopingspunten om van excessief geweld of zware mishandeling te kunnen spreken. Wat betreft de mishandeling van appellant na een bezoek aan de toko, kan niet worden geverifieerd onder welke omstandigheden deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden en welke motieven eraan ten grondslag hebben gelegen. Met betrekking tot de aanval met mortiergranaten, waarvan de overbuurman het slachtoffer zou zijn geworden, draagt de nadere verklaring niets bij aan de geloofwaardigheid van hetgeen reeds eerder was aangevoerd. Mede in aanmerking genomen dat appellant en zijn broer kennelijk ongedeerd zijn gebleven, is er onvoldoende basis om vast te stellen dat het hier een calamiteit in de zin van de Wubo betreft.

2.5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit de onder 2.2 omschreven beperkte toetsing doorstaat. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

RB