Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
09-6873 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. De Raad komt tot het oordeel dat appellant terecht de conclusie heeft getrokken dat betrokkene tijdens de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het tweede spoor onvoldoende zijn gebleven. Ondanks de bedenkingen die bij betrokkene steeds bestonden ten aanzien van de terugkeer van de werknemer in haar bedrijf, heeft zij nagelaten tijdig en concreet activiteiten te ontplooien om de werknemer elders te laten hervatten in passende arbeid. Betrokkene heeft voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6873 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 november 2009, 08/1613 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.J. Spieringhs, advocaat te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J.G.M. Huijs. Betrokkene is met berichtgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarover [naam werknemer] (hierna: de werknemer) jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd. Appellant heeft deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) opgelegd, omdat betrokkene niet heeft voldaan aan haar re-integratie-plichten. Voor dit verzuim ontbreekt volgens appellant een deugdelijke grond. Hierbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in samenhang met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij besluit van 10 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 28 februari 2008 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.A. Reijerse van 28 maart 2008, het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over het griffierecht en de proceskosten - het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 8 oktober 2007 herroepen en tevens bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er voor betrokkene geen objectieve aanleiding bestond te veronderstellen dat het advies van haar bedrijfsarts - voor of na mei 2007 - niet deugdelijk was. De werknemer die in november 2005 voor zijn werk uitviel met klachten van hoofdpijn, hoesten, vermoeidheid en kortademigheid, waarbij sprake was van benauwdheid en een forse inspanningsintolerantie, kreeg later ook last van duizeligheid en visusproblemen. In mei 2007 waren deze klachten nog min of meer onveranderd aanwezig. Gedurende zijn ziekte heeft de werknemer zich niet of nauwelijks op het werk (kunnen) laten zien. Betrokkene heeft contact met de werknemer gehouden en heeft hem meerdere malen thuis bezocht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte geconcludeerd dat betrokkene door het volgen van het volgens appellant onjuiste medisch oordeel van de bedrijfsarts onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - gewezen op de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering, in het bijzonder op de ter zake uitgebrachte rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, en betwist dat betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Betrokkene heeft het tweede spoor, zonder deugdelijke grond, te laat in gang gezet. De werknemer was uitgevallen met longklachten, maar in 2006 was bekend dat de ernst van de COPD (chronic obstructive pulmonary disease) door de longarts als matig is gekwalificeerd. De bedrijfsarts heeft zich echter zonder deugdelijke medische onderbouwing toch op het standpunt gesteld dat er voor de werknemer geen benutbare mogelijkheden waren. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat betrokkene als werkgever van het medisch oordeel van de bedrijfsarts mocht uitgaan, omdat er voor betrokkene geen omstandigheden waren om te twijfelen aan de juistheid of consistentie van het advies van de bedrijfsarts. Appellant heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Raad van

18 november 2009, LJN BK3713.

4. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. De uitgebrachte adviezen van de bedrijfsarts gaven haar geen enkele reden tot twijfel.

5.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. In geschil is of appellant terecht de wachttijd van 104 weken, die begon op 14 november 2005, met 52 weken heeft verlengd. Het geschil is in dat verband toegespitst op de vraag of appellant zich op basis van een toereikende grondslag op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen van betrokkene als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat geen althans te laat re-integratie-activiteiten zij ingezet via het tweede spoor.

5.2. Voor zover betrokkene het standpunt heeft ingenomen dat zij steeds de adviezen van de door haar, via de arbodienst, ingeschakelde bedrijfsarts en arbeidskundige heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn door het Uwv genoemde uitspraak van 18 november 2009, waarin is geoordeeld dat appellant er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van betrokkene tot een andersluidend oordeel te komen.

5.3. Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts van 31 augustus 2007 en 28 september 2007, van de arbeidsdeskundige van 11 september 2007, van de bezwaarverzekeringsarts van 28 februari 2008 en 9 juli 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 maart 2008. Geconcludeerd is dat ten onrechte is aangenomen dat er voor de werknemer geen benutbare mogelijkheden waren; de bedrijfsarts heeft niet medisch objectief onderbouwd dat er sprake was van een dergelijke situatie. De verzekeringsarts van appellant is tot de conclusie gekomen dat de bedrijfsarts eerder dan op 30 mei 2007 de belastbaarheid van de werknemer in kaart had kunnen brengen, in dit verband heeft hij op basis van de beschikbare informatie, waaronder die van de huisarts en de longarts van de werknemer, een inschatting gemaakt van de belastbaarheid van de werknemer en geconcludeerd dat er vanaf 5 september 2006, de datum waarop het (evaluatie)spreekuurbezoek bij de bedrijfsarts plaatsvond, benutbare mogelijkheden waren. Op dat moment werd namelijk aangegeven dat het geleidelijk aan beter met de werknemer ging en dat hij een week op vakantie zou gaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft deze conclusie naar het oordeel van de Raad op goede gronden onderschreven, niet is gebleken dat er ernstige afwijkingen bij de werknemer bestonden. Indien de bedrijfsarts destijds nader onderzoek had gedaan, zou hem dit toen zijn gebleken, ook wat betreft de longklachten die de longarts als van matige ernst had aangeduid. In 2006 heeft de bedrijfsarts zich echter vooral gebaseerd op de mondelinge/telefonische informatie van de werknemer en diens mededelingen dat er vervolgonderzoeken door de behandelend sector kwamen. Het inwinnen van nadere informatie bij de huisarts heeft de bedrijfsarts achterwege gelaten. Ook een eigen toetsmoment met meer uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft de bedrijfsarts toen niet ingebouwd, hoewel een duidelijke diagnose - behoudens de longklachten - steeds ontbrak en zodanig onderzoek mogelijk was tijdens de spreekuurcontacten die van 10 februari 2006 tot 13 oktober 2006 plaatsvonden. Niet eerder dan op 30 mei 2007 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat betrokkene en de werknemer gezamenlijk dienen uit te zien naar passende arbeid, omdat de werknemer niet meer kan terugkeren naar zijn eigen werk en heeft toen een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld waaruit naar voren komt dat er voor de werknemer, ondanks de geconstateerde beperkingen, benutbare mogelijkheden zijn. De arbeidsdeskundige van de arbodienst heeft vervolgens op 21 juni 2007 geadviseerd spoor 2 op te starten. Op 11 september 2007 heeft de arbeidsdeskundige van appellant evenwel vastgesteld dat betrokkene nog steeds geen spoor 2 traject op gang heeft gebracht. Gelet op de beschikbare informatie komt de Raad tot het oordeel dat appellant terecht de conclusie heeft getrokken dat betrokkene tijdens de wachttijd te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode wat betreft het tweede spoor onvoldoende zijn gebleven. Ondanks de bedenkingen die bij betrokkene steeds bestonden ten aanzien van de terugkeer van de werknemer in haar bedrijf, heeft zij nagelaten tijdig en concreet activiteiten te ontplooien om de werknemer elders te laten hervatten in passende arbeid.

5.4. De Raad onderschrijft tevens de conclusie van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.

5.5. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, evenmin bestaat er grond om over te gaan tot de door betrokkene gevraagde schadevergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

EK