Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
10-2800 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Appellante heeft als werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2800 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 maart 2010, 08/1162 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan dit geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam werkneemster], wonende te [woonplaats] (België), (hierna: werkneemster).

Datum uitspraak: 23 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Namens appellante was [W.], algemeen directeur, aanwezig, bijgestaan door W.V.R.A. van den Heuvel, werkzaam bij Remplooi Verzuiminterventie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin werkneemster jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar rapportages van bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 17 januari 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans van 18 januari 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit naar haar oordeel op een volledige en zorgvuldige beoordeling door de verzekeringsartsen berust. Het standpunt van appellante dat werkneemster volgens de bedrijfsarts geen benutbare mogelijkheden heeft, is door de rechtbank, gelet op de bevindingen van de verzekeringsartsen, onjuist geacht nu zij hebben vastgesteld dat werkneemster wel degelijk arbeidsmogelijkheden heeft zonder een urenbeperking. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv op toereikende gronden het standpunt heeft ingenomen dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Van een deugdelijke grond om onvoldoende re-integratie-inspanningen te verrichten is de rechtbank niet gebleken.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het oordeel van de verzekeringsarts lijnrecht staat tegenover het oordeel van de bedrijfsarts, die heeft gesteld dat er geen benutbare mogelijkheden waren. Als er volgens de bedrijfsarts geen benutbare mogelijkheden zijn, is er volgens appellante ook geen re-integratie mogelijk. Het standpunt van de bedrijfsarts is volgens appellante gebaseerd op veelvuldige contacten met de werkneemster, contacten met arbeidsdeskundigen van Remplooi met werkneemster, contacten met de huisarts van werkneemster en op laboratoriumuitslagen van onderzoeken.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat werkneemster niet tot meer dan tot twee tot drie uur per week tot werken in staat was en dat de bedrijfsarts en werkneemster verder geen initiatieven hebben ontwikkeld. Voorts heeft het Uwv toegelicht dat de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hun oordeel niet alleen hebben gevormd op basis van eigen onderzoek, maar ook op basis van informatie die van de zijde van de bedrijfsarts is verkregen. Op deze wijze heeft volgens het Uwv een zorgvuldige heroverweging plaatsgevonden en is de verzekeringsarts gekomen tot het vaststellen van de belastbaarheid van werkneemster.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts dr. N. Bastiaens van 11 september 2007 en van de arbeidsdeskundige C.M.C. Krah-Evers van 17 september 2007. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat hij het op basis van het ziektebeeld van werkneemster niet aannemelijk acht dat zij niet meer heeft kunnen uitbreiden in aangepaste werkzaamheden dan twee tot drie uur per week op basis van arbeidstherapie. Hij acht dit verwijtbaar omdat er geen enkele vorm of poging van uitbreiding van de werkzaamheden is geweest. In dit geval wordt een tijdcontingente aanpak van de re-integratie aanbevolen met een stapsgewijze toename van de activiteiten (de zogenaamde ’graded activity’ conform de stecr-richtlijn), waarvan in het re-integratietraject niets terug te vinden is. Gelet op deze tekortkomingen heeft de arbeidsdeskundige in haar rapportage geconcludeerd dat de inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en dat het argument van appellante, dat zij de adviezen van haar bedrijfsarts heeft opgevolgd, geen deugdelijke grond oplevert. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts Greveling op basis van dossierstudie en met verkregen informatie van de bedrijfsarts in haar rapportage aangegeven dat tot 2007 geen tijdcontingente aanpak heeft plaatsgevonden en dat werkneemster niet is gereactiveerd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kan een deel van de vermoeidheid van werkneemster mogelijk als gevolg van een gestoorde leverfunctie verklaard worden, maar zeker niet in die mate dat werkneemster niet meer dan twee tot drie uur per week aangepast werk zou kunnen verrichten. De medische grondslag van het primaire besluit wordt dan ook gehandhaafd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige. In het argument van appellante dat zij het advies van haar bedrijfsarts heeft opgevolgd heeft hij geen deugdelijke grond gezien, omdat appellante eindverantwoordelijk is voor de re-integratie van werkneemster.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad naar het actueel oordeel bij de probleemanalyse WIA van 9 augustus 2007, waarin de bedrijfsarts heeft aangegeven dat werkneemster vanaf 1 april 2007 gedurende twee tot drie uur per week bij appellante werkzaamheden in de huishoudelijke dienst verricht. Daarbij heeft de bedrijfsarts aangegeven dat werkneemster marginaal belastbaar is als gevolg van energetische en locomotoire belemmeringen en dat de (huidige) marginale inzet kan worden uitgebreid zodra de belastbaarheid van werkneemster dit toelaat. In de eindevaluatie van het plan van aanpak van 14 augustus 2007 is aangegeven dat de benutbare mogelijkheden dermate gering zijn dat inzet van het tweede spoor niet zinvol is. Gelet op de rapportage van de verzekeringsarts is de Raad evenwel van oordeel dat werkneemster weliswaar beperkingen ondervindt, maar dat in het ziektebeeld van werkneemster geen steun kan worden gevonden voor de beperkte belastbaarheid van twee tot drie uur per week. Conform de stecr-richtlijnen voor lichamelijk onverklaarbare klachten en somatisatie had volgens de verzekeringsarts een tijdcontingente aanpak moeten worden gevolgd in plaats van een klachtengerichte aanpak. Op de verklaringen van de bedrijfsarts is door de bezwaarverzekeringsarts overtuigend gereageerd, waarbij zij aan het uitblijven van een doorverwijzing van werkneemster door de huisarts heeft afgeleid dat aan de afwijkende leverwaarden een minder vergaande betekenis kan worden toegekend dan de bedrijfsarts daaraan toekent. Het standpunt van de bedrijfsarts en de verkregen informatie van de huisarts zijn door de bezwaarverzekeringsarts derhalve zorgvuldig bij de herbeoordeling meegewogen. De Raad is dan ook van oordeel dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk overtuigend is gemotiveerd. Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat hiervoor geen deugdelijke grond aanwezig is.

4.5. Met betrekking tot de het standpunt van appellante dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.6. Naar aanleiding van het standpunt van appellante dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden heeft, omdat aan haar op basis van dezelfde medische gegevens met ingang van 3 december 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 september 2010, LJN BN8780, dat deze beoordeling achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere maatstaven dan in dit geding aan de orde. Daaruit kunnen derhalve geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de beantwoording van de vraag of appellante in de hier relevante periode voldoende

re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.7. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L.Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

TM