Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
09-6199 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Appellante heeft als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6199 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 oktober 2009, 08/8161 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (hierna: de werknemer) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars van 3 oktober 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat als uitgangspunt dient te gelden dat de werkgever van de advisering van de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven tot twijfel omtrent de juistheid van het advies. De rechtbank was van oordeel dat er in dit geval omstandigheden bestonden die appellante aanleiding hadden moeten geven tot twijfel aan het advies van de bedrijfsarts nu deze zijn conclusie dat het niet zinvol was om het tweede spoor op te starten uitsluitend heeft gebaseerd op verkregen informatie van de werknemer en nimmer zelf informatie bij de behandelend sector heeft opgevraagd. Gelet op de bevindingen van de verzekeringsarts heeft de rechtbank vastgesteld dat er benutbare mogelijkheden voor de werknemer waren en dat de bedrijfsarts derhalve ten onrechte een blokkerend advies heeft afgegeven. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende waren en dat het Uwv aan appellante terecht een loondoorbetalingsverplichting heeft opgelegd.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij mocht afgaan op het oordeel van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts en dat zij zelf geen recht heeft op inzage in het medisch dossier en ook niet bevoegd is de vraag te beantwoorden of de betrokken werknemer in staat is te werken. Voorts heeft zij gesteld dat er geen sprake is van omstandigheden op grond waarvan zij aan de juistheid van het advies van de bedrijfsarts had dienen te twijfelen.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv zich, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, op het standpunt gesteld dat de werkgever ook verantwoordelijk is voor het handelen van de bedrijfsarts als hij steeds de vinger aan de pols heeft gehouden en niet kon weten dat de bedrijfsarts niet adequaat handelde.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 18 april 2008, van de arbeidsdeskundige van 29 april 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 oktober 2008. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat het ingezette tweede spoor werd gestopt, omdat de bedrijfsarts verwachtte dat mogelijk een operatie van de werknemer zou plaatsvinden in verband met een HNP, maar dat de bedrijfsarts deze verwachting niet heeft getoetst bij de curatieve sector. De door de bedrijfsarts uitgesproken verwachting wordt door de verzekeringsarts niet gezien als een afdoende legitimering van de afwachtende houding van appellante ten aanzien van re-integratie in het tweede spoor. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer benutbare mogelijkheden heeft, maar niet werkt en het ingezette tweede spoor kort na aanvang is stopgezet. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geen aanleiding gezien af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige, waarbij hij nog heeft aangegeven dat appellante verantwoordelijk blijft voor de door haar ingeschakelde deskundigen. Een deugdelijke grond voor het stopzetten van het tweede spoor heeft de bezwaararbeidsdeskundige niet aanwezig geacht.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in het tweede spoor. In dit verband wijst de Raad naar het rapport van de arbeidsdeskundige van Salto Reïntegratie van 14 mei 2007, waarin reeds is aangegeven dat de werknemer niet in staat is zijn eigen werk en/of aangepast werk bij de eigen werkgever te verrichten en dat hij zal worden aangemeld voor ondersteuning vanuit het re-integratiebedrijf om bemiddeld te worden naar ander passend werk. In de vervolgrapportage van 5 juli 2007 is aangegeven dat bemiddeling zal plaatsvinden vanaf datum akkoord door de werkgever. In de eindrapportage van Salto van 22 januari 2008 is tot slot aangegeven dat het traject al vanaf juli 2007 vertraging heeft opgelopen wegens toename van gezondheidsklachten en dat het traject eerst tot eind september 2007 en vervolgens met toestemming van appellante tot november 2007 is uitgesteld. Nadien vindt opnieuw uitstel plaats tot januari 2008 en wordt aan Salto gevraagd om het traject af te sluiten, omdat volgens de bedrijfsarts het tweede spoor zinloos is. De bedrijfsarts is daarbij uitgegaan van de klachten van werknemer en heeft de medische situatie niet getoetst bij de behandelend sector, terwijl appellante evenmin een deskundigenoordeel heeft aangevraagd. In het actueel oordeel bij de probleemanalyse WIA van 28 maart 2008 wordt vervolgens aangegeven dat de werknemer nog niet werkzaam is en dat hervatting in het eigen werk op medische gronden niet te verwachten is. Daarbij zijn tevens de beperkingen van de werknemer aangegeven. Het re-integratietraject diende zich daarom te richten op herplaatsing bij een andere werkgever. Appellante heeft dit tweede spoortraject echter vanwege een toename van de gezondheidsklachten van de werknemer in combinatie met het advies van de bedrijfsarts stopgezet. De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken blijkt dat, zoals ook de arbeidsdeskundige in zijn rapportage heeft aangegeven, het re-integratietraject slechts van 5 juli 2007 tot augustus 2007 heeft gelopen en dat hiermee door appellante re-integratiekansen zijn gemist, terwijl de werknemer in staat was passend werk te verrichten mits rekening werd gehouden met zijn medische beperkingen. Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante ten onrechte het tweede spoortraject heeft stopgezet en mitsdien onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

4.5. Met betrekking tot de het standpunt van appellante dat hij steeds de adviezen van zijn bedrijfsarts heeft gevolgd en dat hij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

TM