Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
10-2048 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de enkele omstandigheid dat werkneemster vanaf 1 maart 2006 feitelijk niet haar volledige werk van verzorgende heeft gedaan onvoldoende is om aannemelijk te achten dat zij ongeschikt was voor haar arbeid. Dat werkneemster medische klachten heeft gehad is hiervoor onvoldoende. De Raad acht het onvoldoende aannemelijk, dat werkneemster aansluitend aan haar bevallingsuitkering ongeschikt is voor haar arbeid. Eventuele twijfel hierover kan naar het oordeel van de Raad niet in het voordeel van de betrokkene worden uitgelegd. Appellant heeft terecht gesteld, dat de late aangifte van ongeschiktheid tot werken na een geaccepteerde hersteldmelding appellant heeft belet om in de hier in geding zijnde periode onderzoek te verrichten. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2048 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 februari 2010, 08/242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam Stichting], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.B. Muller, advocaat te Breda, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs. Van de zijde van betrokkene zijn verschenen [C.] en [d. H.], met bijstand van mr. Muller. Voorts is van de zijde van betrokkene als getuige-deskundige de bedrijfsarts [K.] meegebracht.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. [Naam werkneemster] (hierna: werkneemster) was bij betrokkene werkzaam als verzorgende. Zij is op 8 april 2005 uitgevallen met zwangerschapsgerelateerde klachten. Op 18 oktober 2005 is zij met zwangerschapsverlof gegaan en op 2 december 2005 is zij bevallen van een dochter. Werkneemster heeft zich na afloop van haar bevallingsverlof op 10 februari 2006 hersteld gemeld en heeft tot 1 maart 2006 vakantieverlof opgenomen. Aansluitend heeft zij haar werk als verzorgende hervat. Per 3 juni 2006 is werkneemster in verband met psychische klachten ziek gemeld.

1.2. De verzekeringsarts, die werkneemster op het spreekuur heeft gezien, heeft zich in zijn rapport van 29 oktober 2007 op het standpunt gesteld, dat werkneemster niet aansluitend aan haar zwangerschaps- en bevallingsverlof ongeschikt tot werken was, omdat zij tussen het bevallingsverlof en haar ziekmelding volledig had gewerkt. Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft appellant werkneemster per 3 juni 2006 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.

1.3. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt omdat zij van oordeel was dat werkneemster wel ziek was, en wel als gevolg van zwangerschap of bevalling omdat er sprake was van een postnatale depressie.

1.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport van 4 december 2007 aangegeven, dat werkneemster na haar hersteldmelding ondanks klachten haar eigen werk heeft verricht en dat de nadien gediagnosticeerde postnatale depressie niet een direct gevolg is van zwangerschap of bevalling.

1.5. Bij besluit van 5 december 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank acht het, met name op grond van de verklaringen van de bedrijfsarts [K.] ter zitting, voldoende aannemelijk dat werkneemster ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als gevolg van zwangerschap of bevalling. Voorts heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van de leidinggevende van werkneemster, mw. Van den Hove, ter zitting dat werkneemster aansluitend aan het bevallingsverlof ongeschikt was voor haar arbeid.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevend heeft geacht dat werkneemster haar arbeid feitelijk niet volledig heeft verricht. Appellant acht bepalend of werkneemster door ziekte of gebrek haar arbeid niet volledig kan of mag verrichten. Voorts heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid zijn oorzaak vindt in de zwangerschap of de bevalling.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.

In artikel 19, tweede lid, van de ZW is bepaald, dat de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld heeft.

In artikel 29a, vierde lid, van de ZW is bepaald, dat de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op bevallingsuitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WARZO) is geëindigd, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht heeft op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon zolang die ongeschiktheid duurt, met een maximum van 104 weken. Deze uitkering gaat in op de eerste dag na beëindiging van de bevallingsuitkering ingevolge de WARZO.

4.2. De Raad stelt vast dat werkneemster zich in aansluiting op haar bevallingsuitkering per 10 februari 2006 hersteld heeft gemeld en vervolgens tot 1 maart 2006 vakantieverlof heeft opgenomen. Aansluitend heeft zij tot 3 juni 2006, behoudens ziekte op 15 maart 2006 en van 5 april 2006 tot 14 april 2006, ongeveer drie maanden achtereen gewerkt. Op 3 juni 2006 heeft werkneemster zich ziek gemeld en heeft de betrokkene dit bij appellant gemeld. Werkneemster is in die periode in verband met die ziektegevallen tussen 1 maart 2006 en 3 juni 2006 niet door de arbodienst of de bedrijfsarts [K.] gezien en voorts is niet duidelijk wat de reden was van die uitval. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de enkele omstandigheid dat werkneemster vanaf 1 maart 2006 feitelijk niet haar volledige werk van verzorgende heeft gedaan onvoldoende is om aannemelijk te achten dat zij ongeschikt was voor haar arbeid. Dat werkneemster medische klachten heeft gehad is hiervoor onvoldoende. De Raad stelt vast dat er over de periode van 10 februari 2006 tot 3 juni 2006 geen medische gegevens beschikbaar zijn, waaruit kan worden afgeleid dat werkneemster als gevolg van ziekte of gebrek buiten staat was haar arbeid volledig te verrichten. De Raad voegt daar nog aan toe, dat werkneemster op het spreekuur van de verzekeringsarts volgens het rapport van 29 oktober 2007 het niet volledig (kunnen) werken in de periode van 1 maart tot

3 juni 2006 niet ter sprake heeft gebracht.

4.3. De Raad acht het, gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, onvoldoende aannemelijk, dat werkneemster aansluitend aan haar bevallingsuitkering ongeschikt is voor haar arbeid. Eventuele twijfel hierover kan naar het oordeel van de Raad niet in het voordeel van de betrokkene worden uitgelegd. Appellant heeft terecht gesteld, dat de late aangifte van ongeschiktheid tot werken na een geaccepteerde hersteldmelding appellant heeft belet om in de hier in geding zijnde periode onderzoek te verrichten.

4.4. De Raad kan, gelet op het vorenstaande, in het midden laten of de eventuele ongeschiktheid tot werken haar oorzaak vindt in de zwangerschap of bevalling.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

TM