Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
09-4243 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voor een uitkering ingevolge de ZW. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder dan met de brief van 2 april 2008 het Uwv op de hoogte bracht van de uitval van werknemer in de jaren 2000 tot en met 2005. Het ziekengeld wordt niet uitbetaald tot aan de datum van de ziekmelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4243 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2009, 08/7841 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011, waar namens appellante is verschenen [K.], bijgestaan door mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. [Naam werknemer] is van 1 februari 1999 tot 8 augustus 2007 in dienst geweest van appellante. Met een aanvraag van 15 november 2006 heeft [werknemer] het Uwv verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de verzekeringsarts als eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld 1 januari 1998. Bij besluit van 27 juli 2007 is aan [werknemer] met ingang van 15 november 2005 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Nadat appellante bij brief van 2 augustus 2007 van dit besluit op de hoogte was gebracht, heeft zij bij brief van 1 april 2008 het Uwv verzocht [werknemer] per 10 mei 2000, 21 augustus 2001, 20 mei 2003 en 8 augustus 2005 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Bij vier afzonderlijke besluiten van 21 mei 2008 heeft het Uwv bepaald dat [werknemer] met ingang van voormelde data niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de ZW.

1.2. Het door appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 september 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat de meldingen van de ongeschiktheid van [werknemer] om wegens ziekte arbeid te verrichten op 2 april 2008 zijn ontvangen en dat dit later is dan is voorgeschreven. Bij een melding die later is gedaan dan is voorgeschreven wordt geen ziekengeld uitbetaald tot de datum van die melding. Aangezien [werknemer] op 2 april 2008 reeds was hersteld, is geen ziekengeld uitbetaald.

2. In beroep heeft appellante onder meer naar voren gebracht dat de ratio van de wetgever om in artikel 38b, tweede lid, van de ZW een korte termijn op te nemen is geweest dat het Uwv op de hoogte moet zijn van de ziekte van de werknemer zodat hij controles kan uitvoeren en bijtijds pogingen in het werk kan stellen om de werknemer weer in het arbeidsproces te re-integreren. Dit gaat niet op in gevallen waarin de werknemer, zoals in het onderhavige geval, met terugwerkende kracht arbeidsongeschikt is geacht. Van controle en re-integratie kan dan geen sprake meer zijn.

In een dergelijk geval behoeft naar de mening van appellante geen ziekmelding plaats te vinden, maar dient het Uwv ambtshalve vast te stellen of er aanspraak op ziekengeld bestaat. Daarnaast is gesteld dat [werknemer] al vanaf 2000 steeds door appellante en zijn Arbodienst bij het Uwv ziek is gemeld, zodat het Uwv al op de hoogte was van de verzuimperiodes van [werknemer]. Gesteld kan worden dat er achteraf gezien al aanvragen voor ziekengeld bij het Uwv lagen, maar dat daar nog geen besluit over is genomen. Dat dient naar de mening van appellante alsnog te gebeuren.

3. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en het Uwv als verweerder zijn aangeduid, heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“Niet in geschil is dat eiseres niet eerder dan op 3 augustus 2007 op de hoogte kon zijn dat aan [werknemer] per 15 november 2005 een WAO-uitkering is toegekend. Uit het dossier blijkt dat eiseres eerst op 2 april 2008 [werknemer] bij verweerder heeft ziekgemeld. Van een eerdere ziekmelding is niet gebleken. Dit betekent dat eiseres niet binnen de termijn van 4 dagen als bedoeld in artikel 38b, tweede lid, van de ZW bij verweerder de eerste werkdag heeft gemeld waarop [werknemer] wegens ziekte ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid. (…)

Op grond van artikel 38a, derde lid, van de ZW wordt het ziekengeld niet uitbetaald tot aan de datum van de ziekmelding, in het onderhavige geval is dat 2 april 2008. Nu echter [werknemer] op 2 april 2008 weer hersteld was verklaard, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd de verzochte ZW-uitkeringen toe te kennen.

De stelling van eiser dat verweerder ambtshalve onderzoek had moeten doen naar aanspraken op ziekengeld volgt de rechtbank niet. Artikel 38b van de ZW vereist dat de werkgever de melding maakt van de ziekmelding van de werknemer. Voorts is de werkgever in samenwerking met de arbodienst primair verantwoordelijk voor de

re-integratie van de werknemer. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een ambthalve onderzoek door verweerder naar de arbeidsongeschiktheid van de werknemer.”.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het hoger beroep, waarin geen wezenlijke andere gezichtspunten naar voren zijn gebracht als eerder in de procedure, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder dan met de brief van 2 april 2008 het Uwv op de hoogte bracht van de uitval van [werknemer] in de jaren 2000 tot en met 2005.

4.2. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het door appellante ingediende verzoek om schadevergoeding is geen ruimte.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

EK