Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
10-4119 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2011/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4119 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 10/577 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Walker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 26 augustus 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm van een alleenstaande.

1.2. Op 30 maart 2009 hebben medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam (DWI) bij appellante een huisbezoek afgelegd ter controle van het door appellante opgegeven woonadres, [adres] te [woonplaats], en haar woonsituatie. Omdat een reactie op het aanbellen uitbleef, is appellante opgeroepen zich te melden op 31 maart 2009 op het kantoor van DWI. Deze oproep is gedaan bij brief, die in de brievenbus van appellante is gedeponeerd. Appellante heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven. Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het College het recht op bijstand van appellante met ingang van 31 maart 2009 opgeschort. Tevens is appellante opgeroepen zich te melden op 2 april 2009. Aan deze oproep heeft appellante evenmin gehoor gegeven. Bij brief van 6 april 2009 heeft het College appellante verzocht zich te melden op 16 april 2009.

1.3. Op 6 april 2009 heeft appellante telefonisch contact opgenomen met DWI. Zij heeft aangegeven twee weken in het ziekenhuis te hebben gelegen en om die reden geen gehoor heeft kunnen geven aan de oproepen. Het College heeft - onder meer - bij brief van 17 april 2009 appellante verzocht een bewijs van opname in het ziekenhuis te overleggen. Bij brief van 23 april 2009 heeft appellante te kennen gegeven geen opnamebewijs te kunnen overleggen. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk bewijs van het ziekenhuis alleen kan worden verkregen met behulp van een advocaat. Bij besluit van 24 april 2009 heeft het College het recht op bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 31 maart 2009, op de grond dat het recht op bijstand vanaf die datum niet is vast te stellen.

1.4. Op 23 november 2009 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij deze aanvraag indient in verband met beëindiging van haar uitkering per 31 maart 2009.

1.5. Op 11 december 2009 heeft het College van appellante een op 29 april 2009 gedateerd bezwaarschrift ontvangen gericht tegen het stoppen van haar uitkering vanaf 31 maart 2009. Op 17 december 2009 heeft appellante haar bezwaar aangevuld.

1.6. Bij besluit van 8 januari 2010 heeft het College het bezwaar van appellante tegen de intrekking van de bijstand niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 8 januari 2010 gegrond verklaard voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2009 niet-ontvankelijk is verklaard, met in stand laten van de rechtsgevolgen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet de brief van 17 december 2009, maar het bezwaarschrift van 29 april 2009, door het College ontvangen op 11 december 2009, gezien moet worden als een bezwaar tegen het besluit van 24 april 2009, dat dit bezwaarschrift te laat is ingediend en dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij het besluit van 24 april 2009 pas heeft ontvangen na het indienen van het bezwaar van 17 december 2009. Zij heeft daarbij opgemerkt dat het besluit van 24 april 2009 onjuist is geadresseerd, nu daarop als huisnummer 10-1 in plaats van 10 is vermeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. In geval van toezending van een besluit dient voor de vaststelling dat het besluit in werking is getreden, zowel de verzending als de aanbieding van de zending aan het juiste adres vast te staan dan wel voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Indien het gaat om gevallen waarin uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit wel moet hebben ontvangen en de ontkenning van die ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt, zoals de Raad al eerder heeft overwogen, waaronder in de uitspraak van 16 december 2008, LJN BG7243, niet alleen de ontvangst aannemelijk geacht, maar - zonder nader bewijs - ook de verzending. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.

4.3. De vraag of van een ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van het besluit van 24 april 2009 sprake is beantwoordt de Raad bevestigend. Daartoe overweegt de Raad het volgende. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat appellante in verband met vermelding van een onjuist huisnummer het besluit van 24 april 2009 niet zou hebben ontvangen. De Raad acht het aannemelijk dat de brieven van 6 en

17 april 2009 door appellante wel zijn ontvangen ondanks het feit dat ze, evenals het besluit van 24 april 2009, per gewone post ook naar het huisnummer 10-1 zijn verzonden. Dat blijkt onder meer uit het gevolg dat appellante heeft gegeven aan de in de brief van

6 april 2009 vervatte oproep om zich op 15 april 2009 op het kantoor van DWI voor een gesprek te melden. Voorts heeft appellante op de in de brief van 17 april 2009 geboden hersteltermijn voor het overleggen van het bewijs van ziekenhuisopname gereageerd door middel van de brief van 23 april 2009 waarin zij heeft aangegeven de gevraagde gegevens niet te kunnen overleggen. Voorts acht de Raad in dit verband van belang dat geen van de betreffende brieven als ‘onbestelbaar wegens onjuiste adressering’ retour is gekomen alsmede dat bezorging op huisnummer 10-1 niet mogelijk is, omdat het een niet bestaand nummer betreft. Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, pas na het indienen van het bezwaar van 17 december 2009 een kopie van het besluit van 24 april 2009 heeft ontvangen acht de Raad ook in ander opzicht ongeloofwaardig, aangezien appellante al van stopzetting van de uitkering eind maart 2009 op de hoogte was en op geen enkel moment in de periode gelegen tussen maart en december heeft geïnformeerd of anderszins navraag heeft gedaan naar het uitblijven van het intrekkingsbesluit. Tenslotte heeft appellante op de aanvraag van 23 november 2009 aangegeven dat deze is ingediend in verband met het beëindigen van haar uitkering.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 25 april 2009. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was 5 juni 2009. Aangezien het bezwaarschrift, gedagtekend op 29 april 2009, op 11 december 2009 door het College is ontvangen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken ruimschoots was verstreken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.C.P. Venema en H.D. Stout, als leden, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.

SG