Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
11-1289 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Onvoldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1289 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 december 2010, 09/1554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

atum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene ontvangt vanaf 1 november 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 7 mei 2009 heeft verzoeker het besluit van 29 januari 2009, waarbij de bijstand van betrokkene met ingang van 29 januari 2009 is beëindigd en over de periode van 13 januari 2009 tot 29 januari 2009 is ingetrokken, na bezwaar gehandhaafd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste en onvolledige inlichtingen te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie en zijn verblijfadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 7 mei 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 29 januari 2009 herroepen en verzoeker opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van verzoeker dat betrokkene niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres. Verzoeker dient in de nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend nog te beslissen of er aanleiding bestaat de toeslag van betrokkene te wijzigen en of er consequenties worden verbonden aan het feit dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting niet volledig is nagekomen.

3. Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak tot op het hoger beroep is beslist. Verzoeker is van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat betrokkene ten tijde in geding niet zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres.

4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.3. Verzoeker heeft in het verzoekschrift het spoedeisende karakter van het verzoek om voorlopige voorziening niet gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven vormt op zichzelf niet voldoende grondslag voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving van de in hoger beroep aangevochten uitspraak bij het betrokken bestuursorgaan gelegd.

4.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. van Dam.

IJ