Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
09-729 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking(en) bijstandsuitkering, over verschillende perioden. De Raad is van oordeel dat het niet verschijnen op de oproepen voor 7 en 14 augustus 2007 geen grond kan vormen om te twijfelen aan de woon- of verblijfplaats van appellant vanaf 3 september 2007. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat betrokkene in de periode vóór 3 september 2007 inkomstenverklaringen niet of niet tijdig zou hebben ingediend. Overigens heeft betrokkene, naar de vertegenwoordiger van appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard, de inkomstenverklaringen over de maanden september en oktober 2007 wel tijdig ingediend. Vaststaat dat betrokkene in de periode vanaf 3 september 2007 slechts eenmaal geen gehoor heeft gegeven aan een uitnodiging voor een gesprek, te weten het gesprek op 5 november 2007 over de inschakeling van betrokkene in arbeid. Zoals appellant ter zitting van de Raad heeft erkend, levert deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende grond op om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van betrokkene op 14 september 2007 over zijn woon- en leefsituatie. De Raad is op grond van hetgeen is overwogen van oordeel dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van het huisbezoek op 7 november 2007. Aan de omstandigheid dat betrokkene heeft geweigerd aan dit huisbezoek zijn medewerking te verlenen, kunnen daarom geen gevolgen worden verbonden voor het recht op bijstand van betrokkene. Appellant heeft deze weigering dan ook ten onrechte aan de intrekking van de bijstand per 7 november 2007 ten grondslag gelegd. Dit betekent dat de rechtbank het besluit van 8 april 2008 terecht, zij het op andere gronden, heeft vernietigd. Derhalve slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - voor bevestiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/729 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2009, 08/1052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving vanaf 12 september 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op de inkomstenverklaring over januari 2007, gedagtekend 26 februari 2007, heeft betrokkene vermeld dat het adres [adres 1] te [naam gemeente] zijn tijdelijke postadres is. Nadat hem toestemming was geweigerd een postadres te voeren, heeft betrokkene de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) via een ‘Inlichtingenformulier nieuw adres’ (hierna: inlichtingenformulier) doorgegeven dat met ingang van 10 april 2007 [adres 1] te [naam gemeente] zijn nieuwe adres is en dat hij op dat adres inwoont bij zijn moeder.

1.2. Bij brief van 30 juli 2007, geadresseerd aan laatstgenoemd adres, heeft de DWI betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 7 augustus 2007 over zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Betrokkene heeft - zonder zich af te melden - geen gehoor aan deze uitnodiging gegeven. Appellant heeft om die reden bij besluit van 7 augustus 2007 het recht op bijstand van betrokkene per dezelfde datum opgeschort en betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 14 augustus 2007. De DWI heeft dit aangetekend verzonden besluit, eveneens geadresseerd aan [adres 1] te [naam gemeente], retour ontvangen met als reden van onbestelbaarheid: ‘niet afgehaald’. Appellant heeft vervolgens bij besluit van 15 augustus 2007 de bijstand van betrokkene met ingang van 7 augustus 2007 ingetrokken op de grond dat betrokkene ook niet heeft gereageerd op de tweede oproep voor een gesprek op 14 augustus 2007. Betrokkene heeft het bij dit besluit gevoegde ‘Inlichtingenformulier beëindigingsonderzoek’ ingevuld en, gedagtekend 30 augustus 2007, geretourneerd aan de DWI met de mededeling dat [adres 2] te [naam gemeente] zijn nieuwe adres is en dat zijn adreswijziging niet bij de sociale dienst was aangekomen.

1.3. Op 31 augustus 2007 heeft betrokkene opnieuw bijstand aangevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft op 10 september 2007 een gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene en zijn klantmanager. Volgens het ‘Rapportageoverzicht RAAK’ van de DWI (hierna: rapportageoverzicht) heeft betrokkene bij die gelegenheid te kennen gegeven dat hij is verhuisd van [stadsdeel 1] naar [stadsdeel 2] om bij zijn moeder te gaan inwonen, dat zijn moeder in die periode (ook) is verhuisd en dat er problemen waren met de postbezorging. Betrokkene heeft vervolgens via een inlichtingenformulier, gedagtekend 14 september 2007, doorgegeven dat met ingang van 3 september 2007 [adres 2] te [naam gemeente] zijn nieuwe adres is. Daarop heeft appellant bij besluit van 21 september 2007 de bijstandsverlening van betrokkene hervat per 7 augustus 2007.

1.4. Eind oktober 2007 is betrokkene uitgenodigd voor een gesprek op 5 november 2007 over, zo is ter zitting van de Raad gebleken, de inschakeling in arbeid. In het rapportageoverzicht is vermeld dat betrokkene niet op de afspraak is verschenen, dat korte tijd na het afgesproken tijdstip telefonisch contact met hem is opgenomen en dat betrokkene toen te kennen gaf dat hij de uitnodigingsbrief wel had ontvangen, maar dat hij dacht dat het gesprek later op de dag zou plaatsvinden.

1.5. De DWI heeft vervolgens in het kader van het project ‘Controle op maat’ een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van betrokkene. In dat kader hebben twee handhavingspecialisten van de DWI op 5 november 2007 in de ochtend een huisbezoek afgelegd op het door betrokkene opgegeven woonadres [adres 2] te [naam gemeente]. Volgens het rapport van bevindingen van 8 november 2007 (hierna: rapport) is het huisbezoek op dat moment niet doorgezet, omdat een maatschappelijk werkster bij de moeder van betrokkene op bezoek was. In het rapport is voorts vermeld dat de handhavingspecialisten ’s middags opnieuw een huisbezoek hebben afgelegd en dat betrokkene wel toestemming gaf de woning te betreden, maar vervolgens weigerde medewerking te verlenen aan het huisbezoek.

1.6. Bij besluit van 26 november 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2008, heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 7 november 2007 ingetrokken. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat betrokkene tijdens het huisbezoek op 7 november 2007 de gevraagde medewerking heeft geweigerd en dat als gevolg daarvan niet langer kan worden vastgesteld of betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

1.7. Bij besluit van 8 april 2008 heeft appellant betrokkene met ingang van 5 februari 2008 opnieuw bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 31 januari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2007. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Betrokkene was bij de huisbezoeken op 7 november 2007 zowel ’s morgens als ’s middags in de woning aanwezig. Gelet op die bevindingen is er - hoewel betrokkene volgens het rapport niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek van de (gehele) woning - geen reden om aan te nemen dat betrokkene niet op het door hem opgegeven adres bij zijn moeder woont. Ook verder blijkt nergens uit dat er zou moeten worden getwijfeld aan het recht op bijstand van betrokkene. Derhalve bieden de in het rapport neergelegde onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag voor de conclusie dat als gevolg van schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand van betrokkene niet kan worden vastgesteld.

3. Appellant heeft in hoger beroep het volgende tegen deze uitspraak aangevoerd. Er bestond voldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de door betrokkene verstrekte gegevens over zijn feitelijke woonadres, zodat er voldoende aanleiding was diens woon- en leefsituatie te onderzoeken. Betrokkene heeft namelijk niet alleen - onder meer in 2007 - diverse keren zijn inkomstenverklaringen niet of niet tijdig ingeleverd, maar heeft ook, zonder voorafgaand bericht, geen gehoor gegeven aan oproepen voor gesprekken op 7 en 14 augustus 2007 en 5 november 2007. Tijdens het huisbezoek op 7 november 2007 kon echter niet worden geverifieerd of betrokkene feitelijk verblijf hield op het door hem opgegeven adres, en kon daardoor ook zijn recht op bijstand niet worden vastgesteld, omdat betrokkene weigerde zijn medewerking te verlenen aan dat huisbezoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. De Raad stelt het volgende vast. Betrokkene heeft op 10 september 2007 aan zijn klantmanager te kennen gegeven dat hij niet is verschenen op de oproepen voor 7 en 14 augustus 2007, omdat hij is verhuisd naar het nieuwe woonadres van zijn moeder, [adres 2] te [naam gemeente], en er problemen waren met de postbezorging. Betrokkene heeft de DWI op 14 september 2007 geïnformeerd dat hij per 3 september 2007 bij zijn moeder op dit nieuwe adres woont en dat hij in het bevolkingsregister van de gemeente Amsterdam ook op dat adres staat ingeschreven. De juistheid van deze informatie wordt ondersteund door de overgelegde bevestiging van inschrijving van de Afdeling burgerzaken van stadsdeel [stadsdeel 2].

4.2. De Raad is van oordeel dat het onder 4.1 overwogene met zich brengt dat het niet verschijnen op de oproepen voor 7 en 14 augustus 2007 geen grond kan vormen om te twijfelen aan de woon- of verblijfplaats van appellant vanaf 3 september 2007. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat betrokkene in de periode vóór 3 september 2007 inkomstenverklaringen niet of niet tijdig zou hebben ingediend. Overigens heeft betrokkene, naar de vertegenwoordiger van appellant ter zitting van de Raad heeft verklaard, de inkomstenverklaringen over de maanden september en oktober 2007 wel tijdig ingediend.

4.3. Vaststaat dat betrokkene in de periode vanaf 3 september 2007 slechts eenmaal geen gehoor heeft gegeven aan een uitnodiging voor een gesprek, te weten het gesprek op 5 november 2007 over de inschakeling van betrokkene in arbeid. Zoals appellant ter zitting van de Raad heeft erkend, levert deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende grond op om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van betrokkene op 14 september 2007 over zijn woon- en leefsituatie. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er reden was daaraan ten tijde van belang te twijfelen.

4.4. De Raad is op grond van hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen van oordeel dat er geen redelijke grond was voor het afleggen van het huisbezoek op 7 november 2007. Aan de omstandigheid dat betrokkene heeft geweigerd aan dit huisbezoek zijn medewerking te verlenen, kunnen daarom geen gevolgen worden verbonden voor het recht op bijstand van betrokkene. Appellant heeft deze weigering dan ook ten onrechte aan de intrekking van de bijstand per 7 november 2007 ten grondslag gelegd. Dit betekent dat de rechtbank het besluit van 8 april 2008 terecht, zij het op andere gronden, heeft vernietigd. Derhalve slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - voor bevestiging in aanmerking.”

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.K.R.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J.K.R.A.M. Waasdorp.

HD