Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
08-6682 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6682 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 oktober 2008, 08/2375 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Hierop is namens appellant schriftelijk een reactie gegeven.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 januari 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft met ingang van 17 augustus 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder, nadat hij had aangegeven dat hij zijn echtgenote [naam echtgenote] had verlaten. Als zijn woonadres heeft hij opgegeven het adres van zijn ouders, [adres 1] te [naam gemeente]. Naar aanleiding van een vermoeden van fraude is een onderzoek ingesteld naar de woon-, leef- en inkomenssituatie van appellant. In het kader van dit onderzoek hebben appellant en [echtgenote] verklaringen afgelegd ten overstaan van de sociale recherche.

1.2. Bij besluit van 21 januari 2008 is de appellant vanaf 17 augustus 2006 verleende bijstand ingetrokken en met ingang van 22 januari 2008 beëindigd en is een bedrag van € 16.864,82 aan gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 14 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 april 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit geheel in stand blijven, zulks met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit recht wel worden vastgesteld, omdat appellant geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te oordelen dat appellant ten tijde hier van belang niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [echtgenote]. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank hiermee een geheel nieuw besluit geformuleerd met een geheel andere grondslag. Door zo te handelen heeft de rechtbank tevens het beginsel van reformatio in peius geschonden, nu appellant gedurende de beroepsprocedure in een nadeliger positie is gebracht dan hij zou zijn gebracht indien door hem geen beroep was ingesteld. Voorts zou het verdedigingsbeginsel zijn geschonden nu appellant niet in de gelegenheid is geweest op het nieuwe feitencomplex inhoudelijk te reageren, aldus het standpunt van appellant in hoger beroep.

4.2. De Raad verwerpt de door appellant aangevoerde gronden, nu de vraag of appellant ten tijde hier van belang al dan niet duurzaam gescheiden heeft geleefd van [echtgenote], tevens een van de intrekkingsgronden is van het besluit op bezwaar van 14 april 2008. Het geding in eerste aanleg heeft zich mede hierop toegespitst. De omstandigheid dat het onderzoek zich aanvankelijk vooral heeft gericht op door appellant genoten inkomsten als zelfstandige, doet daar niet aan af. Van een nieuw besluit, dan wel een nieuw feitencomplex is hier dan ook geen sprake. Hieruit volgt dat ook niet valt in te zien dat de beroepsprocedure appellant in een nadeliger positie zou hebben gebracht en dat appellant zich met betrekking tot het duurzaam gescheiden leven onvoldoende heeft kunnen verweren.

4.3. Voorts kan de Raad het oordeel van de rechtbank geheel onderschrijven. Met name in de verklaringen die appellant en [echtgenote] ten overstaan van de sociale recherche op 21 januari 2008 hebben afgelegd, ziet de Raad voldoende grond voor het oordeel dat vanaf 17 augustus 2006 geen sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Volgens die verklaringen hebben appellant en [echtgenote] met hun kinderen vanaf 17 augustus 2006 samengewoond in de woning van appellants ouders en vanaf eind juli 2007 in de woning die zij gezamenlijk hebben betrokken. Die verklaringen vinden bovendien steun in hetgeen hieromtrent is weergegeven in het verslag van de hoorzitting van 12 maart 2008 en in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 10 september 2008. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt en dus geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.4. Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd in zijn schrijven van 15 mei 2009, als reactie op het verweerschrift van het College, wijst de Raad er op dat thans niet aan de orde is de vraag of appellant en [echtgenote] in aanmerking kunnen komen voor bijstand naar de norm voor gehuwden, omdat een daartoe strekkende aanvraag niet is ingediend. Hetgeen hieromtrent is aangevoerd zal de Raad dan ook buiten beschouwing laten.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd dient te worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD