Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
10/62 ZW + 10/4125 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Naar het oordeel van de Raad was er voor het Uwv onder deze omstandigheden geen aanleiding om, in afwijking van de hoofdregel, niet uit te gaan van de door de werkgever verstrekte loonstroken en -opgaven over december 2007 tot en met februari 2008. Dat hij tijdens deze periode recht had op vorderbare toeslagen die niet inbaar waren heeft appellant, daartoe in de gelegenheid gesteld, ook in hoger beroep niet met bewijsstukken en de getuigenverklaring aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/62 ZW + 10/4125 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 december 2009, 09/689 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, inmiddels advocaat te Hoogezand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar gedateerd 14 juli 2010 genomen waarbij het dagloon nader is vastgesteld op een hoger, doch naar de mening van appellant nog te laag bedrag.

Mr. Dieters heeft schriftelijke vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Tevens was aanwezig [naam getuige], wonende te [woonplaats], door appellant als getuige meegebracht.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was als productiemedewerker sedert 15 juni 2007 in voltijdse dienst bij [naam werkgever] toen hij zich per 25 maart 2008 ziek meldde.

1.2. Bij besluit van 9 december 2008 is aan appellant per 13 november 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Deze uitkering is berekend naar een dagloon van € 97,58 waarbij als referteperiode het tijdvak van 15 juni 2007 tot en met 29 februari 2008 is gehanteerd. Het bezwaar van appellant tegen de hoogte van het dagloon is bij besluit op bezwaar van 9 juli 2009 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep dat appellant tegen besluit 1 heeft ingesteld ongegrond verklaard.

3. Op 14 juli 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant (hierna: besluit 2) waarbij het dagloon nader is vastgesteld op € 98,09.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij besluit 1, noch bij besluit 2 rekening is gehouden met zijn recht op een toeslag op zijn basisloon van 30% voor het werken in ploegendienst sinds 12 december 2007. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de uitbetaling van de toeslag niet op correcte wijze plaatsvond, wat zich in de betrokken periode ook bij andere werknemers voordeed. Dit laatste is door de door hem als getuige meegebrachte voormalige collega ter zitting bevestigd. Verder heeft appellant erop gewezen dat hij in januari 2008 enkele weken ziek is geweest waardoor zijn recht op toeslag gedurende deze periode kwam te vervallen. Bij brief van 2 juli 2008 heeft hij zijn werkgever aangemaand om over te gaan tot betaling van achterstallig salaris met vergoedingen ‘over de periode 26 maart tot en met heden’. De werkgever is in september 2008 failliet verklaard en is niet tot betaling overgegaan.

4.2. Het Uwv is van opvatting dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat de in geding zijnde toeslag in het refertejaar vorderbaar maar niet inbaar was, zodat deze toeslag op grond van in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen niet bij de berekening van het dagloon kan worden betrokken.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Bij besluit 2 heeft het Uwv het dagloon opnieuw vastgesteld. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Eerst zal de Raad een oordeel geven over het hoger beroep.

5.2. De vraag die in dat kader aan de orde is luidt of appellant tijdens de periode 12 december 2007 tot en met 29 februari 2008 recht had op een toeslag op zijn loon die in die periode wel vorderbaar, maar niet inbaar was. Appellant heeft ter zake van dat recht verwezen naar de toepasselijke CAO, respectievelijk naar zijn aanmaning van 2 juli 2008. Het dossier bevat voorts een verklaring van 6 januari 2009 waarin namens de curator in het faillissement is vermeld dat appellant van 12 december 2007 tot en met 14 maart 2008 heeft gewerkt in ploegendienst waarvoor hij een toeslag van 30% heeft genoten. Uit de zich eveneens in het dossier bevindende loonstroken met betrekking tot december 2007 tot en met februari 2008 volgt dat appellant in december 2007, alsook in februari 2008 (voor deze maand op een afzonderlijke loonstrook vermeld) toeslagen op zijn loon heeft ontvangen. Deze toeslagen zijn niet te herleiden naar 30% extra loon. Verdere gegevens omtrent de uitbetaalde toeslag zijn niet beschikbaar.

5.3. Naar het oordeel van de Raad was er voor het Uwv onder deze omstandigheden geen aanleiding om, in afwijking van de hoofdregel, niet uit te gaan van de door de werkgever verstrekte loonstroken en -opgaven over december 2007 tot en met februari 2008. Dat hij tijdens deze periode recht had op vorderbare toeslagen die niet inbaar waren heeft appellant, daartoe in de gelegenheid gesteld, ook in hoger beroep niet met bewijsstukken en de getuigenverklaring aangetoond.

5.4. Nu het Uwv besluit 2 hangende het hoger beroep heeft genomen en daarbij besluit 1 op het bestreden onderdeel heeft gewijzigd, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd en moet het beroep tegen besluit 1 gegrond worden verklaard.

5.5. Met betrekking tot besluit 2 heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. Dit besluit berust op dezelfde loonbedragen over de periode december 2007 tot en met februari 2008 als besluit 1. Hieruit volgt dat het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond moet worden verkaard.

6. De Raad ziet in hetgeen in 5.4 is overwogen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en van € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Aangezien zowel in beroep als in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dienen deze bedragen te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.518,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK