Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
09-6453 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering uitkering. Geen dringende redenen. Appellante heeft vanwege haar verdiensten teveel aan uitkering ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6453 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2009, 09/941 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die wegens ziekte is uitgevallen als cardioloog in opleiding voor 38 uur per week, heeft op 10 januari 2006 bij het Uwv een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft ter zake onderzoek verricht en op 22 juni 2006 hiervan rapport opgemaakt. Tevens heeft zij appellante bij brief van gelijke datum op de hoogte gesteld van haar bevindingen.

1.2. Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 14 april 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA.

1.3. Bij de herbeoordeling door het Uwv van het recht op uitkering heeft appellante op 6 november 2007 gemeld dat zij tijdelijk betaald werk heeft verricht als bedrijfsarts. Zij heeft kort daarna aan het Uwv haar verdiensten vanaf april 2006 opgegeven.

1.4. Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het Uwv € 22.081,61 van appellante teruggevorderd, zijnde het bruto bedrag aan uitkering dat het Uwv over de periode 14 april 2006 tot 1 januari 2007 onverschuldigd betaalbaar heeft gesteld. Voorts heeft het Uwv bij besluit van 10 oktober 2008 € 20.704,48 van appellante teruggevorderd, zijnde het bruto bedrag aan uitkering dat over de periode 1 januari 2007 tot 1 oktober 2007 onverschuldigd betaalbaar is gesteld. In beide gevallen heeft het Uwv daarbij in aanmerking genomen dat appellante had kunnen weten dat zij vanwege haar verdiensten teveel aan uitkering ontving.

1.5. Het tegen deze besluiten door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 12 februari 2009 ongegrond verklaard, waarbij het totaal terug te betalen bedrag is vastgesteld op € 41.152,94 (netto, vermeerderd met loonheffing).

2.1. Appellante heeft tegen het besluit van 12 februari 2009 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat bij het besluit van 28 juni 2006 al rekening was gehouden met haar (tijdelijke) verdiensten als bedrijfsarts.

2.2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep ingenomen standpunt herhaald. Voorts heeft zij aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij ook de hoogte van het terug te betalen bedrag betwist omdat het Uwv geen specificatie van dat bedrag heeft gegeven.

3.2. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat appellante pas in 2007 een opgave van haar inkomsten heeft ingediend. Voorts heeft het Uwv nog een specificatie van het terug te betalen bedrag toegestuurd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd ten aanzien van de berekening van het terug te betalen bedrag blijkt niet dat het Uwv is uitgegaan van onjuiste bedragen. De Raad ziet, mede gelet op de door het Uwv in hoger beroep toegezonden specificatie van het terug te betalen bedrag, geen grond om aan te nemen dat het bestreden besluit in dit opzicht een gebrek bevat.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv (door zijn toedoen) onverschuldigd aan appellante een bedrag aan uitkering heeft betaald. Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA bevat ter zake een dwingendrechtelijke bepaling die het Uwv tot terugvordering verplicht van hetgeen onverschuldigd aan uitkering is betaald. Op grond van het vierde lid van dat artikel kan het Uwv slechts van terugvordering afzien indien daartoe dringende redenen bestaan.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 15 juli 2010, LJN BN1802, kan van dringende redenen blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel slechts sprake zijn indien de terugvordering in een concrete situatie onaanvaardbare consequenties voor de betrokkene zou hebben. Volgens vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat er in een individuele situatie iets bijzonders en uitzonderlijks in de zin van financiële of sociale gevolgen aan de hand is. Dit is niet het geval ten aanzien van appellante. Het gegeven dat het Uwv rekening houdt met het inkomen van appellante en het afgesproken aflossingsbedrag van € 100,- per maand zo is vastgesteld dat zij blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maakt dat er in beginsel geen onaanvaardbare consequenties aan de orde zijn. Dat overigens sprake is van financieel of sociaal onaanvaardbare gevolgen is onvoldoende onderbouwd.

4.4. Een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel kan volgens de vaste rechtspraak van de Raad alleen slagen in een situatie waarin het Uwv een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling heeft gedaan waaraan geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van de betrokkene ten grondslag lagen en voor de betrokkene niet was te onderkennen dat die mededeling onjuist was (zie ook de onder 4.3 genoemde uitspraak van de Raad). Ook in dit geval is niet aan deze voorwaarden voldaan. In de brief van de arbeidsdeskundige van 22 juni 2006 is appellante er uitdrukkelijk op gewezen dat haar inkomsten uit arbeid als bedrijfsarts er mogelijk toe zullen leiden dat de WIA-uitkering niet tot uitbetaling komt. Tevens is daarin vermeld: “Wilt u ons in het licht van bovenstaande een opgave van Uw inkomsten sturen?”. Het toekenningsbesluit van 28 juni 2006 volgde binnen een week, zonder dat appellante opgave had gedaan van haar inkomsten als bedrijfsarts. In deze situatie was het voor haar, nog afgezien van de hoogte van de bedragen, te onderkennen dat bij dit besluit geen rekening was gehouden met haar inkomsten uit arbeid. De Raad wijst erop dat appellante na 28 juni 2006 geen opgave van haar inkomsten heeft gedaan, ondanks een verzoek daartoe in het besluit van 28 juni 2006, waarmee zij ook een zeker risico heeft aanvaard.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter, in tegenwoordigheid van G.J.H. Doornewaard en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

NK