Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
10-2095 WIA + 10-3484 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Terecht is aangenomen dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat. De Rechtbank heeft hierbij terecht het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv en de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Kemperman bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van een onjuist ziektebegrip of een onjuist beoordelingskader zijn uitgegaan. De Raad acht de onderbouwing in hoger beroep door een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 8 juni 2010 van de stelling dat de functie van productiemedewerker industrie op goede gronden mede aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag is gelegd, inzichtelijk en toereikend. Samen met de functies parkeercontroleur en meteropnemer kent de schatting daarmee een genoegzame arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2095 WIA + 10/3484 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 februari 2010, 06/1464

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft K. Abel, werkzaam bij Juricon Adviesgroep b.v., gevestigd te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij nadere stukken waren gevoegd, onder meer een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 8 juni 2010.

De gemachtigde van appellante heeft nadien meerdere stukken ingezonden. Op enkele van die stukken is door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door J.R. Beukema, eveneens werkzaam bij Juricon Adviesgroep b.v. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 14 juli 2004 heeft appellante zich ziek gemeld wegens pijn op de borst, een pijnlijke rechterarm, en schouder- en rugklachten. Zij ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Bij besluit van 22 mei 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 12 juli 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 september 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante, welke daarbij zijn vastgesteld op € 1.704,60.

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de door appellante aangevoerde beroepsgronden, die er op neer komen dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat en dat zij, gelet op haar klachten, niet in staat was de functies te vervullen die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, uitgebreid weergegeven en besproken. Daaruit blijkt dat appellante zich, ter onderbouwing van haar beroepsgronden, heeft beroepen op een rapport van 5 juni 2007 van een neuropsychologisch onderzoek door drs. M.H. Krijgsveld, neuropsycholoog, en een rapport van 14 december 2007 van J.U.R. Niewold, neuroloog. Op beide rapporten is door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens zenuwarts C.J.F. Kemperman als deskundige benoemd en deze heeft bij rapport van 13 maart 2009 verslag gedaan van zijn bevindingen en conclusies. Appellante heeft op het rapport van Kemperman gereageerd, onder meer met een nadere verklaring van Niewold van 29 april 2009. Appellante heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat Kemperman geen juist en volledig beeld heeft gegeven van haar klachten en beperkingen. Van de zijde van het Uwv heeft een bezwaarverzekeringsarts gesteld zich niet te kunnen vinden in de conclusie van Kemperman dat op een tweetal aspecten van de ten aanzien van appellante opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), te weten deadlines en productiepieken, alsmede leidinggeven, een aanvullende beperking dient te worden gesteld. Wel heeft deze bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat de opgestelde FML ten onrechte nog twee beperkende toelichtingen kent en heeft deze de FML daarop aangepast. De rechtbank heeft vervolgens de van appellante en het Uwv ingekomen reacties voorgelegd aan Kemperman en heeft hem een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd. Bij rapport van 8 juli 2009 heeft Kemperman de hem gestelde vragen beantwoord en heeft hij, daarbij mede ingaande op de reacties van appellante en het Uwv, zijn conclusies gehandhaafd. De rechtbank heeft vervolgens, wat de vaststelling van de belastbaarheid van appellante betreft, de bevindingen en conclusies van de door haar benoemde deskundige gevolgd. Zij heeft daartoe overwogen dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te worden gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat Kemperman, geconfronteerd met de reacties van appellante en het Uwv, op gemotiveerde en inzichtelijke wijze heeft gepersisteerd bij de door hem ten aanzien van appellante aangenomen beperkingen. Daarmee ontbeerde het bestreden besluit, zo overwoog de rechtbank, een toereikend gemotiveerde medische grondslag. Tot slot is de rechtbank ingegaan op het betoog van appellante dat het neuropsychologisch onderzoek op zichzelf een voldoende grondslag biedt voor het aannemen van cognitieve beperkingen, alsmede op het betoog dat de klachten van appellante niet op juiste wijze zijn gewogen omdat een onjuist beoordelingskader is gevolgd door het Uwv, omdat daarin klachten waarvoor geen (lichamelijke of geestelijke) oorzaak kan worden gevonden niet of onvoldoende meewegen bij de vaststelling van de belastbaarheid voor arbeid. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Raad van 8 april 2009, LJN BI1153, waarin is geoordeeld dat de bevindingen van een neuropsycholoog en de bij neuropsychologisch onderzoek vastgestelde cognitieve tekorten alleen betekenis kunnen hebben indien deze op grond van een medisch-specialistisch rapport kunnen worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen, alsook dat die bevindingen en tekorten een logisch en consistent verband moeten houden met beperkingen voortvloeiend uit eigenschappen die zijn aan te merken als ziekte of gebrek op neurologisch of psychiatrisch gebied. In dit verband heeft de rechtbank nog aangegeven dat Kemperman geen cognitieve beperkingen, als door appellante geclaimd, heeft kunnen vaststellen, terwijl in het rapport van Niewold van 14 december 2007 vanuit zijn vakgebied geen logisch en consistent verband is gelegd tussen zijn bevindingen en de gestelde cognitieve klachten. De rechtbank wees erop dat Niewold evenals Kemperman concludeerde dat bij appellante sprake was van sendomyogene pijnklachten, ten aanzien waarvan zij niet hebben geoordeeld dat die kunnen worden benoemd als afwijkingen op neurologisch of psychiatrisch gebied.

3. De beroepsgronden van appellante in hoger beroep richten zich opnieuw tegen het in haar ogen onjuiste en met het recht strijdige beoordelingskader van het Uwv, welk beoordelingskader, naar zij stelt, ook door de rechtbank is gehanteerd waar deze de bevindingen en conclusies van haar deskundige Kemperman heeft gevolgd. Door dit beoordelingskader te hanteren, wordt geen recht gedaan aan haar klachten, die in haar ogen zijn geobjectiveerd met het door haar ingebrachte rapport van het neuropsychologisch onderzoek door Krijgsveld en het rapport van Niewold. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat twee van de vijf functies die uiteindelijk in de fase van beroep aan de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag zijn gelegd op een of enkele aspecten te belastend voor haar zijn, gelet op de ten aanzien van haar bij het bestreden besluit aangenomen belastbaarheid. Tot slot heeft zij gesteld dat de in de aangevallen uitspraak gegeven proceskostenveroordeling onjuist is omdat daarbij slechts een deel van de door haar gemaakte, voor vergoeding in aanmerking komende, proceskosten is meegenomen.

4. Het Uwv heeft in hoger beroep te kennen gegeven zich te stellen achter hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen. Het heeft, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het besluit van 8 juni 2010 genomen, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 mei 2006 opnieuw ongegrond is verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een door een bezwaarverzekeringsarts conform de bevindingen van Kemperman aangepaste FML en een onderzoek van een bezwaararbeidsdeskundige, waaruit naar voren komt dat er uiteindelijk vijf functies aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag kunnen worden gelegd waarmee een resterende verdiencapaciteit is gegeven die meebrengt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht op minder dan 35% is vastgesteld.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Het nadere, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 8 juni 2010 komt niet tegemoet aan het beroep van appellante tegen het bestreden besluit en maakt naar het oordeel van de Raad daarom deel uit van het geding in hoger beroep, zodat hij dat besluit in zijn beoordeling zal betrekken. De Raad zal eerst de gronden bespreken die tegen de aangevallen uitspraak zijn aangevoerd.

5.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank terecht aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak van de Raad dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te worden gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het voorliggende geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van deze hoofdregel nopen en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak daaraan ten grondslag heeft gelegd. Anders dan appellante, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv en de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Kemperman bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van een onjuist ziektebegrip of een onjuist beoordelingskader zijn uitgegaan. De Raad wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak, waarin is neergelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. In overeenstemming daarmee wordt in artikel 3, lid 1, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bepaald dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ertoe strekt vast te stellen of betrokkene ten gevolge van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot werken. Dit brengt mee dat een logisch en consistent geheel van stoornissen, beperkingen en handicaps (participatieproblemen) slechts tot het aannemen van beperkingen in de functionele mogelijkheden kan leiden als op medische gronden moet worden aangenomen dat deze zijn aan te merken als uitingen van ziekte of gebrek, waarvoor overigens het kunnen stellen van een eenduidige diagnose (het kunnen aanwijzen van een somatische of psychische oorzaak van de klachten) niet als strikt vereiste geldt.

5.3. De Raad stelt zich voorts achter de overwegingen, neergelegd in de aangevallen uitspraak (en hiervoor samengevat weergegeven in 2.2), waarin de rechtbank haar oordeel heeft neergelegd en onderbouwd ten aanzien van de stellingen van appellante dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Ook de Raad ziet die stellingen geen doel treffen en hij stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank over de door appellante ingebrachte rapporten van Krijgsveld en Niewold.

5.4. Met betrekking tot de beroepsgronden van appellante, gericht tegen de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven proceskostenveroordeling, overweegt de Raad als volgt. Artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de rechtbank bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank (….) redelijkerwijs heeft moeten maken. Met appellante is de Raad van oordeel dat op grond daarvan de door appellante gemaakte kosten ten behoeve van de onderbouwing van haar medische gronden voor vergoeding in aanmerking komen, nu niet kan worden gesteld dat zij die kosten niet redelijkerwijs heeft moeten maken. Het betreft de kosten van de huisarts (€ 37,70), van het neuropsychologisch onderzoek (€ 625,-) en van de rapporten van Niewold (€ 838,-), tezamen tot een bedrag van € 1.500,70. De kosten van de onderzoeken van Prescan Nederland, tot een bedrag van € 1.917,-, zijn naar het oordeel van de Raad geen kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 20 februari 2009, LJN BH3891 (overwegingen 6.3.1 en 6.3.2). Ook in dit geding geldt dat appellante er – gezien de feiten en omstandigheden ten tijde van de onderzoeken van Prescan Nederland – niet van heeft mogen uitgaan dat de bevindingen en conclusies van Prescan Nederland een relevante bijdrage zouden leveren aan een voor haar gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De onderzoeken van Prescan Nederland, waartoe appellante is overgegaan in een poging te achterhalen wat haar in medisch opzicht mankeert, is een momentopname ten tijde van de onderzoeken op 27 september 2008 en 10 januari 2009; de datum in geding is 12 juli 2006. Uit de rapporten van deze onderzoeken van de radioloog dr. Med. A. Schumacher blijkt niet van een toespitsing van de bevindingen en conclusies op de in dit geding in geschil zijnde datum. Een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft in die bevindingen en conclusies geen aanleiding gevonden om het oordeel over de belastbaarheid van appellante te wijzigen. Naast de hiervoor vermeldde kosten van de huistarts, het neuronpsychologisch onderzoek en de rapporten van Niewold komen voor toewijzing in aanmerking de kosten van rechtsbijstand in beroep, tot een bedrag van € 966,-, alsmede reiskosten tot een bedrag van € 19,60. De rechtbank heeft, gelet op het totaal van de genoemde bedragen van € 2.486,30, de proceskostenveroordeling ten onrechte bepaald op € 1.704,60. De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover daarbij het Uwv is veroordeeld in de proceskosten van appellante, voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet, gelet op het overwogene, aanleiding om, doende wat de rechtbank had behoren te doen, de proceskostenveroordeling in beroep opnieuw vast te stellen en wel op het bedrag van € 2.486,30.

5.5. Met betrekking tot het besluit van 8 juni 2010 oordeelt de Raad als volgt. Dit besluit is door het Uwv genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en is, voor zover het de medische grondslag ervan betreft, in overeenstemming met de bevindingen en conclusies van Kemperman. In zoverre behoeft dit besluit, gelet op hetgeen de Raad onder 5.2 tot en met 5.4 heeft overwogen, geen beoordeling. Appellante heeft, wat de arbeidskundige onderbouwing van dit besluit betreft, gesteld dat twee van de vijf functies, waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is gebaseerd, niet voor haar geschikt en passend zijn. Anders dan appellante stelt, is de Raad evenwel van oordeel dat dit besluit een toereikende arbeidskundige grondslag kent. De Raad acht de onderbouwing in hoger beroep door een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 8 juni 2010 van de stelling dat de functie van productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) op goede gronden mede aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag is gelegd, inzichtelijk en toereikend. Samen met de functies parkeercontroleur (Sbc-code 342022) en meteropnemer (Sbc-code 315181) kent de schatting daarmee een genoegzame arbeidskundige onderbouwing, zodat de stelling van appellante dat de functie brugwachter (Sbc-code 282170), die als reserve-functie is geduid, niet passend is voor haar, geen bespreking meer behoeft.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het Uwv is veroordeeld in de proceskosten van appellante;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep, welke zijn vastgesteld op € 2.486,30;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juni 2010 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep tot een bedrag groot € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H. Bolt en H.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

NK