Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
08-6846 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel: verlaging bijstand met 50% gedurende een maand. Appellante heeft terecht aangenomen dat zij in het kader van het Teli-project administratief werk zou gaan verrichten. Uit de gedingstukken blijkt dat de projectleider van het Teli-project overwoog appellante in te zetten als adviseur, mogelijk in combinatie met administratieve werkzaamheden. Appellante heeft op goede gronden vooraf meer duidelijkheid verlangd over de door haar te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder die van adviseur. Van de projectleiding mocht worden verwacht dat die duidelijkheid al was gegeven voorafgaand aan de training. Deze training was immers bedoeld als voorbereiding op de uitvoering van de werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/106
USZ 2011/141 met annotatie van M.J.A.C. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6846 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 31 oktober 2008, 08/369 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 februari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. de Muinck, werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 13 juni 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op basis van de uitkomst van een onderzoek door Aob Compaz naar de arbeidsmogelijkheden van appellante, heeft het College appellante bij besluit van 20 juli 2006 meegedeeld dat voor haar de arbeidsverplichtingen gelden, met dien verstande dat zij zich beschikbaar dient te stellen voor algemeen geaccepteerde arbeid voor 20 uur per week en tevens dient mee te werken aan een re-integratietraject als dat haar wordt aangeboden.

1.3. Appellante is door het College aangemeld voor een werkervaringsplaats bij het zogenoemde Teli-project, een initiatief van tien gemeenten in de provincie Drenthe (waaronder de gemeente Midden-Drenthe) om huishoudens met lage inkomens te stimuleren energiebesparende maatregelen te nemen. Hiertoe worden huishoudens aangeschreven om pakketten te bestellen met energiebesparende producten. De pakketten worden na een telefonische afspraak door een adviseur thuisbezorgd, waarbij tevens advies wordt gegeven. Werkzoekenden - waaronder appellante - zouden, na een technische opleiding en een sociale vaardigheidstraining, bij dit project worden ingezet als administratief (loket)medewerker, als adviseur of in een gecombineerde functie.

1.4. In het kader van het Teli-project heeft appellante op 11 oktober 2007 een kennismakingsbijeenkomst bijgewoond. Zij is vervolgens uitgenodigd voor een training op 30 november 2007. Bij die gelegenheid is appellante niet verschenen. De projectleider heeft daarover met appellant telefonisch contact gehad, waarbij ook de aard van de werkzaamheden aan de orde is geweest. Daarna is appellante uitgenodigd voor een training op 7 december 2007. Ook op die training is appellante niet verschenen. Op 2 januari 2008 heeft appellante met haar consulente van de afdeling Werk van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: consulente) gesproken over haar arbeidsverplichtingen. Daarbij is de weigering van appellante om op 7 december 2007 op de training aanwezig te zijn ook aan de orde geweest.

1.5. Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het College de bijstand van appellante over de maand januari 2008 met 50% verlaagd op de grond dat appellante op 7 december 2007 niet is verschenen op de training voor het Teli-project, zodat zij niet voldoende gebruik heeft gemaakt van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

1.6. Bij besluit van 5 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de voor dit geschil van belang zijnde bepalingen van de WWB en van de Afstemmingsverordening Midden-Drenthe (hierna: Verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad is met het College en de rechtbank, en anders dan appellante, van oordeel dat het Teli-project kan worden aangemerkt als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het project hield administratieve en adviserende werkzaamheden in, waarmee bijstandsgerechtigde werkzoekenden als appellante werkervaring konden opdoen. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, deelname aan het Teli-project geen direct uitzicht bood op betaalde arbeid, maakt dat niet anders. Gelet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt het college van burgemeester en wethouders welke voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden. Appellante, voor wie ten tijde hier van belang de arbeidsverplichtingen - met inachtneming van de voor haar geldende beperking in de arbeidsomvang - golden, was op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b,van de WWB in beginsel dan ook verplicht om van de aangeboden voorziening gebruik te maken.

4.2. Appellante heeft niet tegengesproken dat zij heeft geweigerd deel te nemen aan de op 7 december 2007 geplande training.

4.3. Appellante is van mening dat haar niet kan worden verweten dat zij niet heeft deelgenomen aan deze training, waartoe zij - samengevat - heeft aangevoerd dat haar voorafgaand aan de training niet duidelijk was geworden welke werkzaamheden nu precies van haar werden verwacht, waarbij met name haar vrees (wegens eerdere negatieve ervaringen) dat sprake zou zijn van colportageachtige activiteiten niet kon worden weggenomen. Bovendien had zij van haar consulente begrepen dat zij slechts bij de administratieve onderdelen van het project zou worden ingezet.

4.4. Wat de inhoud van de te verrichten werkzaamheden betreft overweegt de Raad het volgende. Bij de gedingstukken bevindt zich een e-mailbericht, gedateerd 10 januari 2008, van de consulente aan de projectleider van het Teli-project. In dat bericht staat met zoveel woorden dat dit werkervaringstraject voor appellante was bedoeld om specifieke werkervaring op te doen op het gebied van administratie en dat appellante gezien haar interesse, werkervaring en opleidingsniveau daarom was aangemeld voor de functie van administratief medewerker en heel bewust niet voor die van adviseur. Ook uit het verweerschrift van het College in hoger beroep blijkt dat de eerste insteek bij dit traject was dat appellante voor de functie van (administratief) loketmedewerker in aanmerking zou worden gebracht. Dit betekent dat appellante terecht heeft aangenomen dat zij in het kader van het Teli-project administratief werk zou gaan verrichten.

4.5. De Raad kan appellante voorts volgen in haar standpunt dat voorafgaand aan de op 7 december 2007 te houden training nog geen duidelijkheid bestond over haar werkzaamheden in het kader van het Teli-project. Uit de gedingstukken blijkt dat de projectleider van het Teli-project overwoog appellante in te zetten als adviseur, mogelijk in combinatie met administratieve werkzaamheden. Van de zijde van het College is als verweer naar voren gebracht dat appellante bij gelegenheid van de training op 7 december 2007 meer duidelijkheid had kunnen vragen en had kunnen verkrijgen over de inhoud van haar projectwerkzaamheden, waaronder begrepen de precieze inhoud van de functie van adviseur. De Raad is, mede tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.4 is overwogen, van oordeel dat appellante op goede gronden vooraf meer duidelijkheid heeft verlangd over de door haar te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder die van adviseur. Van de projectleiding mocht worden verwacht dat die duidelijkheid al was gegeven voorafgaand aan de training. Deze training was immers bedoeld als voorbereiding op de uitvoering van de werkzaamheden. Wat daarvan verder zij, ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het College niet kunnen bevestigen dat die duidelijkheid ook nog bij de start van de training op 7 december 2007 had kunnen worden verkregen.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen, is de Raad van oordeel dat appellante niet kan worden verweten dat zij niet aan de training van 7 december 2007 heeft deelgenomen.

4.7. Dit betekent dat geen sprake is van een maatregelwaardige gedraging van appellante, zodat het College niet bevoegd was de bijstand van appellante te verlagen.

4.8. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet. De Raad ziet in het voorgaande tevens aanleiding om, mede met het oog op een finale beslechting van dit geschil, het besluit van 16 januari 2008 te herroepen, aangezien dat besluit lijdt aan hetzelfde gebrek als het besluit van 5 maart 2008 en dit gebrek niet kan worden hersteld.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,--in bezwaar, op € 644,--in beroep en op € 644,--in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 16 januari 2008;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--;

Bepaalt dat het College het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

IJ