Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09-925 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer. Niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van budgetbeheer noodzakelijk waren. Appellante heeft niet voldaan aan het verzoek van het College tot indiening van een budgetplan teneinde de werkzaamheden te kunnen beoordelen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat niet gebleken is van gelijke gevallen. Een door de rechter ingesteld beschermingsbewind is niet op één lijn te stellen met een door private partijen gesloten overeenkomst tot budgetbeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/103

Uitspraak

09/925 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 januari 2009, 08/698 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Voor appellante is mr. Verstraten verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 14 januari 2008 heeft appellante bij het College een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van budgetbeheer met ingang van 1 september 2007.

1.2. Bij besluit van 22 februari 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 22 april 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2008 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat de noodzaak van de kosten van budgetbeheer door [B.] Bewindvoering niet aannemelijk is gemaakt, omdat het vrijwillig budgetbeheer betreft en niet kan worden gesteld dat kosten van vrijwillig budgetbeheer en budgetbegeleiding behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 april 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. De Rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2008, LJN BD9635, het besluit van 22 april 2008 vernietigd, omdat het tot stand is gekomen zonder gedegen en volledig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de noodzaak van de kosten van vrijwillig budgetbeheer. Vervolgens heeft de rechtbank, mede naar aanleiding van het nader onderzoek en standpunt van het College, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 februari 2008 in stand blijven, omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van belang sprake was van een noodzaak tot budgetbeheer en budgetbegeleiding door [B.] Bewindvoering. Het hoger beroep richt zich slechts tegen laatstbedoeld oordeel van de rechtbank.

4.3. Appellante is van opvatting dat de noodzaak tot budgetbeheer en budgetbegeleiding er wel was en heeft hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij is door J. Theelen van Canters Coaching doorverwezen in verband met forse schulden en onvoldoende inzicht in haar eigen financiën. Ter onderbouwing hiervan is een e-mail van Theelen van 8 december 2008 aan de gemachtigde van appellante overgelegd. De afdeling Schuldhulpverlening van de gemeente Venlo (hierna: afdeling Schuldhulpverlening) is ingeschakeld om een start te maken met de sanering van schulden. Naast de schuldhulpverlening door de afdeling Schuldhulpverlening blijft het budgetbeheer door [B.] Bewindvoering noodzakelijk, omdat de afdeling Schuldhulpverlening appellante niet kan begeleiden bij het inkomensbeheer.

4.4. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat appellante er niet is geslaagd aannemelijk te maken dat de kosten van budgetbeheer door [B.] Bewindvoering ten tijde van belang noodzakelijk waren. In de onder 4.3 genoemde e-mail bericht Theelen dat zij appellante in het voorjaar van 2007 bij [B.] Bewindvoering heeft aangemeld vanwege de grote schuldenlast op dat moment en dat voor het verkrijgen van inzicht in de situatie professionele budgetbegeleiding voor langere tijd nodig was. De Raad is met het College van oordeel dat, gelet op de schuldenproblematiek van appellante, de e-mail primair aanleiding geeft voor een beroep van appellante op de afdeling Schuldhulpverlening. Zoals immers het College heeft uiteengezet, inventariseert de afdeling Schuldhulpverlening de schuldenpositie, treft zij betalingsregelingen met schuldeisers, dient zij zonodig een verzoek in om toelating tot de schuldsaneringsregeling en biedt zij kortdurende ondersteuning bij het beheer van de financiën teneinde de betrokkene in staat te stellen daarna weer zelf de financiën te beheren. De e-mail maakt niet duidelijk waarom naast de hulp van de afdeling Schuldhulpverlening - volgens het College is appellante bij deze afdeling niet bekend - budgetbeheer door [B.] Bewindvoering noodzakelijk was. Appellante heeft voorts geen verklaring kunnen geven voor de lange tijdsperiode tussen de gestelde aanmelding van appellante door Theelen bij [B.] Bewindvoering en de aanvraag om bijzondere bijstand. De Raad wijst er ten slotte nog op dat appellante niet heeft voldaan aan het verzoek van het College tot indiening van een budgetplan teneinde de werkzaamheden te kunnen beoordelen.

4.5. Appellante heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Aangezien het College voor de kosten van beschermingsbewind wel bijzondere bijstand toekent, dient volgens appellante ook voor het minder zware middel van budgetbeheer bijzondere bijstand te worden toegekend. Ook heeft het College in andere gevallen wel bijzondere bijstand voor budgetbeheer toegekend, zodat ook om die reden de aanvraag van appellante had moeten worden ingewilligd.

4.6. De Raad is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat niet gebleken is van gelijke gevallen. Een door de rechter ingesteld beschermingsbewind is niet op één lijn te stellen met een door private partijen gesloten overeenkomst tot budgetbeheer. Dit andere rechtsregime rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad dat het College bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind in beginsel uitgaat van de noodzaak van die kosten en dat het College bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer verlangt dat de aanvrager de noodzaak van die kosten aannemelijk maakt. Het enkele feit dat het College in andere gevallen wel bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer heeft verleend, kan evenmin tot de conclusie leiden dat het College in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Appellante heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat het om gelijke gevallen gaat.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

SG