Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-2943 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ontvankelijk. Verschoonbare termijnoverschrijding. Uitspraak rechtbank aangetekend verzonden, niet afgehaald, daarna per gewone brief verzonden, waarbij de woorden “aangetekend” doorgehaald zijn en de tekst “opnieuw verzonden” erop is gezet. Onduidelijke voorlichting m.b.t. aanvang hogerberoepstermijn. Het beroepschrift bevat geen concrete beroepsgrond. De rechtbank heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van haar bevoegdheid om het beroep met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/174
USZ 2011/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2943 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 maart 2010, 08/1192 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Het College heeft de bijstand van appellant bij besluit van 7 maart 2007, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 13 oktober 2008, ingetrokken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 2006 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 95.843,80. Daaraan is - kort

gezegd - ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van diverse werkzaamheden op het terrein van de electriciteitsvoorziening, betrokkenheid bij het installeren van hennepkwekerijen, daaruit verkregen inkomsten, en de ontvangst van een forse schadevergoeding wegens een verkeersongeval.

1.2. Op 12 november 2008 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 13 oktober 2008. De inhoud van het beroepschrift luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ (…) Ik kan mij niet verenigen met het ingenomen standpunt van de Commissie en ben de mening toegedaan dat het besluit van deze Commissie een dwaling is en verzoek dan ook vriendelijk aan de Rechter het besluit van de Commissie te vernietigen en na afwegen van de feiten tot een nieuw besluit te komen. (…)”.

1.3. Bij een op 14 november 2008 gedateerde brief van de griffier van de rechtbank is appellant verzocht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na de dagtekening van deze brief de gronden van het beroep aan te voeren. Daarbij is aangegeven dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als niet aan het verzoek wordt voldaan. Appellant heeft niet op dat verzoek gereageerd.

2. De rechtbank heeft - uiteindelijk - bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat het beroepschrift geen concrete beroepsgrond bevat.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Het hoger beroepschrift is op 25 mei 2010 bij de Raad ingekomen.

3.2. Van de zijde van het College is bij wijze van verweer aangevoerd dat appellant het hoger beroep buiten de wettelijke termijn heeft ingediend zonder dat daarvoor een geldige reden bestaat. Voorts is volstaan met verwijzing naar het gevoerde verweer bij de rechtbank en de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid in hoger beroep

4.1.1. De Raad is allereerst van oordeel dat het, ongedateerde en op 25 mei 2010 bij de Raad ingekomen, hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend.

4.1.2. Vaststaat dat een afschrift van de aangevallen uitspraak bij aangetekende brief van 17 maart 2010 is verzonden aan het juiste adres van appellant. Op 12 april 2010 is deze brief bij de rechtbank retour ontvangen onder vermelding van de mededeling “geen gehoor” en “niet afgehaald”.

4.1.3. Uit de gedingstukken blijkt dat de rechtbank, toepassing gevend aan artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op 14 april 2010 aan appellant nogmaals - maar nu bij gewone brief - een afschrift van de aangevallen uitspraak heeft verzonden. De rechtbank heeft dat afschrift gehecht aan de oorspronkelijke brief van 17 maart 2010, daarop de woorden “aangetekend” doorgehaald en de tekst “opnieuw verzonden 14 april 2010” gestempeld. De begeleidende brief van 17 maart 2010 bevat onder meer de volgende passage: “Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u hiertegen in hoger beroep gaan. U moet dat schriftelijk doen binnen zes weken na de datum van verzending van deze brief.” Appellant heeft daaruit afgeleid, en naar het oordeel van de Raad ook mogen afleiden, dat de hoger beroepstermijn was aangevangen op 15 april 2010. Daarvan uitgaande heeft hij bij op 25 mei 2010 door de Raad ontvangen schrijven, naar zijn overtuiging tijdig, hoger beroep ingesteld.

4.1.4. De Raad acht, gelet op het voorgaande, de overschrijding van de hoger beroepstermijn verschoonbaar.

4.1.5. De Raad heeft al eerder overwogen, zie de uitspraak van 14 juli 2009, LJN BJ3193, dat een handelwijze als hier gevolgd door de rechtbank minder gelukkig is. Aldus wordt immers bij appellant de indruk gewekt dat de hoger beroepstermijn na gewone verzending opnieuw zou zijn aangevangen, hetgeen niet het geval is. Het verdient daarom aanbeveling dat de rechtbank in een dergelijk geval bij het opnieuw toezenden van een afschrift van de uitspraak een brief voegt waarin duidelijk wordt vermeld dat de hoger beroepstermijn niet opnieuw is aangevangen en dat binnen zes weken na de dag van de eerste - aangetekende - verzending hoger beroep moet worden ingesteld.

4.2. Ten aanzien van hoger beroep ten gronde

4.2.1. Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaalt dat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift (zie onder meer de uitspraken van 31 oktober 2007, LJN BB7463 en 2 juli 2009, LJN BJ2385). Dit brengt mee dat in de regel ook bij een in het beroepschrift gegeven summiere motivering van het beroep zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het beroepschrift, hoe summier ook verwoord, een concrete beroepsgrond dient te bevatten. Een belanghebbende kan er dus niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens met een bepaald besluit, maar hij dient tevens aan te geven op welk punt of welke punten en waarom hij het niet met dat besluit eens is.

4.2.3. Anders dan appellant is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift geen concrete beroepsgrond bevat. De onder 1.2 aangehaalde passage van het beroepschrift kan niet als zodanig worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de rechtbank appellant bij brief van 14 november 2008 een termijn heeft gegeven voor het indienen van de gronden waarop het beroep berust en dat hij deze brief heeft ontvangen. Dat appellant daarop niet heeft gereageerd omdat dit hem was ontschoten - zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard - dan wel dat hij het belang daarvan niet (tijdig) heeft ingezien - zoals hij ter zitting van de Raad heeft verklaard -, moet voor zijn rekening en risico worden gelaten.

4.2.4. Hetgeen appellant overigens nog ter zitting van de Raad heeft aangevoerd met betrekking tot de gevoerde strafprocedure en de procedure inzake oplegging van een maatregel tot wederrechtelijke voordeelontneming kan hier niet aan afdoen. Het betreft hier immers afzonderlijke procedures die elk betrekking hebben op een eigen rechtsvraag en met een afzonderlijk belang, terwijl de bestuursrechter bovendien, naar vaste rechtspraak van de Raad, in de vaststelling van en het oordeel over het aan hem voorgelegde geschil als regel niet gebonden is aan het hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld.

4.2.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om het beroep met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.

4.2.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) C. de Blaeij.

SG