Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-4102 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. FML geeft beperkingen juist weer. Op de dyslexie is expliciet gewezen. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht voor appellante geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4102 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 juni 2010, 10/707 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr P. Heijnen, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend vergezeld van rapporten van 6 en 10 september 2010 van respectievelijk J. Coehoorn, bezwaarverzekeringsarts en R. Klijzing, bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellante en haar voormelde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als cateringmedewerkster, is in 1994 een skiongeval overkomen waaraan zij onder meer whiplashklachten heeft overgehouden. Aan haar is door het Uwv per 20 maart 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij in april 2008 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv die heeft vastgesteld dat zij met de aanwezige beperkingen – zowel van psychische als van lichamelijke aard – aangepaste arbeid zou kunnen verrichten. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 18 april 2008. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens enkele voor appellante geschikt te achten functies geselecteerd en vastgesteld dat zij daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat, vergeleken met het zogenoemde maatmanloon, geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit. Het Uwv heeft bij besluit van 15 augustus 2008 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken per 9 oktober 2008. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader daarvan heeft zij onder meer gesteld, dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen, dat de geduide functies in verband daarmee ongeschikt voor haar zijn en dat dit met name geldt voor de functie van archiefmedewerker; zij heeft namelijk last van dyslexie waardoor zij grote moeite heeft met lezen en schrijven, welke activiteiten volgens haar een belangrijk onderdeel uitmaken van genoemde functie. De bezwaarverzekeringsarts Coehoorn voornoemd heeft vervolgens het primaire medisch oordeel onderschreven en daarbij opgemerkt, dat het hier gaat om een milde vorm van dyslexie, waarbij appellante vooral problemen ondervindt bij de spelling hetgeen zij eenvoudig kan ondervangen via de spellingscontrole op de computer. De bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv heeft opnieuw naar de geselecteerde functies gekeken en uiteindelijk drie functies, te weten die van machinaal metaalbewerker (264122), wikkelaar (267050) en de functie van archiefmedewerker (315130) aan de schatting ten grondslag gelegd. In haar rapport van 3 december 2008 heeft deze arbeidsdeskundige de belastende aspecten van deze functies nader toegelicht. Het Uwv heeft bij besluit van 8 december 2008 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit. Daarbij is een psychodiagnostisch onderzoeksverslag van 24 oktober 2009 van J. Avontuur, GZ-psycholoog, betreffende de dyslexie van appellante overgelegd alsmede een dyslexieverklaring en enkele orthopedische rapporten van het universitair ziekenhuis te Antwerpen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 november 2009 het beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 december 2008 vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen, dat in de FML ten onrechte geen beperking is opgenomen in verband met de dyslexie van appellante en dat het zonder nadere toelichting niet duidelijk is of zij de functie van archiefmedewerker kan uitoefenen, nu in die functie voor een relevant deel het ordenen en beoordelen van archiefstukken en ingekomen post voorkomt.

2. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust. De bezwaarverzekeringsarts Coehoorn heeft de FML aangepast in die zin dat de dyslexie van appellante bij sociaal functioneren onder item 12 is vermeld. Tevens heeft hij opgemerkt dat blijkens voormeld rapport van de psycholoog Avontuur appellante geen grote problemen heeft met lezen en de eventuele moeilijkheden bij het schrijven haar niet hebben belet het MAVO-diploma te halen. De bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen heeft in haar rapporten van 8 december 2009 en 6 januari 2010 nader gemotiveerd waarom de functie van archiefmedewerker geschikt te achten is voor appellante (onder andere omdat het steeds gaat om slechts kleine stukjes tekst). Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 12 januari 2010 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het oorspronkelijke primaire besluit wederom ongegrond verklaard, maar de intrekking van de WAO-uitkering doen ingaan per 13 maart 2010.

3. Namens appellante is beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met name heeft de rechtbank daarbij overwogen, dat – alsnog – in voldoende mate is gemotiveerd waarom appellante de functie van archiefmedewerker kan uitoefenen en dat dit ook geldt voor de twee andere functies die de basis voor de schatting vormen.

4. Appellante heeft in het namens haar ingestelde hoger beroep het eerder gestelde herhaald. Met name heeft zij erop gewezen, dat zij in verband met de dyslexie moeite heeft met het zogenoemde begrijpend lezen, met geografische namen alsmede met het uitoefenen van schriftelijke taken. Ook handhaaft zij haar bezwaren tegen de functies van metaalbewerker en wikkelaar, onder andere in verband met haar beperking betreffende deadlines en het ontbreken van de mogelijkheid om afdoende van houding te kunnen wisselen.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De stelling van appellante dat zij meer beperkingen ondervindt dan door het Uwv is aangenomen volgt de Raad niet. Er zijn in de FML voldoende beperkingen zowel op het fysieke vlak als op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen. Hetgeen namens appellante aan medische gegevens in het geding is gebracht is onvoldoende om met recht twijfel te wekken aan de in de FML weergegeven beperkingen.

5.3. Ook de stelling dat de FML met betrekking tot het item “lezen” onjuist is ingevuld slaagt niet. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij sociaal functioneren op de FML van 8 december 2009 onder punt 12 expliciet op de dyslexie gewezen en daaraan toegevoegd dat appellante kan lezen op HAVO-niveau, vooral moeite heeft met de spelling maar daarvoor de spellingscontrole kan gebruiken. De eerste toevoeging is rechtstreeks ontleend aan het eerder genoemde rapport van Avontuur en appellante heeft niet bestreden dat zij op zich waar nodig de spellingscontrole kan raadplegen. Op deze wijze is voor de arbeidsdeskundige ten behoeve van het selecteren van functies voldoende duidelijkheid geschapen.

5.4. De arbeidskundige bezwaren van appellante tegen de functies van machinaal metaalbewerker en wikkelaar zijn in de arbeidskundige rapporten (met name die van 3 december 2008) voldoende weerlegd – er is geen sprake van veelvuldige, stresserende productiepieken, terwijl appellante op het item afwisselen van houding niet beperkt is geacht.

5.5. Met betrekking tot de functie van archiefmedewerker wijst de Raad allereerst op het zojuist genoemde arbeidskundige rapport alsmede op die van 6 januari en 12 maart 2010 en het in hoger beroep ingezonden rapport van 10 september 2010. Tevens valt te wijzen op het door appellante zelf in het geding gebrachte rapport van Avontuur: daaruit valt af te leiden dat het taal- denkniveau alsmede het taalbegrip van appellante niet slecht is, dat zij bij het hardop lezen een HAVO/MAVO-niveau haalt en dat het opvalt dat zij op het punt waarop zij zwakker is – het stillezen (overigens slechts met een verlies aan snelheid van 20%), – toch de inhoud goed kan weergeven. De arbeidsdeskundige heeft er met recht op gewezen, dat het bij het ordenen van stukken en post alleen gaat om korte te lezen stukjes en dat het opslaan ervan in feite neerkomt op overschrijven, waarbij zo nodig de spellingscontrole gebruikt kan worden. Gelet op de functiebeschrijving, waaruit valt af te leiden dat van harde productienormen of van een hoge tempodruk geen sprake is, moet appellante in staat worden geacht ook deze functie zonder grote problemen uit te kunnen oefenen. Dit betekent dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten.

5.6. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.D.F. de Moor.

JL