Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09-5938 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Het verblijf van appellante in het buitenland vormt geen belemmering voor het College om op de aanvraag van appellante een besluit te nemen en dit bekend te maken. Het ligt immers op de weg van appellante om in een dergelijk geval voorzorgsmaatregelen te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5938 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2009, 08/4409 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.E. Kolthof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen met reg.nrs. 08/7239 WWB en 09/5790 WWB, plaatsgevonden op 25 januari 2011. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A. C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het College de op 2 mei 2008 ingediende aanvraag van appellante om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

1.2. Appellante heeft bij brief gedateerd 12 augustus 2008 bezwaar gemaakt tegen het bovengenoemde besluit. Deze brief is op 13 augustus 2008 door het College ontvangen.

1.3. Appellante heeft in het bezwaarschrift en in een telefoongesprek toegelicht waarom het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn is ingediend. Appellante stelt dat zij pas op 12 augustus 2008 kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 27 juni 2008 omdat zij, met medeweten van het College, vanaf 1 juli 2008 in het buitenland heeft verbleven.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 25 september 2008 heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 25 september 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het besluit van 27 juni 2008 niet aangetekend aan appellante is verzonden en dat appellante dat besluit heeft ontvangen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aldus aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan.

4.2. De Raad ziet, anders dan appellante, geen aanleiding de overweging van de rechtbank dat het besluit van 27 juni 2008 op diezelfde dag is verzonden, voor onjuist te houden. Ter zitting van de Raad is desgevraagd namens het College uiteengezet dat besluiten meestal worden verstuurd op dezelfde dag als die waarop zij zijn aangemaakt en gedateerd en dat, als dat niet zo is, de besluiten worden voorzien van een stempel met de verzenddatum. Nu het besluit van 27 juni 2008 niet is voorzien van een dergelijk datumstempel gaat de Raad er van uit dat dit besluit op 27 juni 2008 is verzonden.

4.3. De bezwaartermijn is derhalve aangevangen op 28 juni 2008 en eindigde op 8 augustus 2008. Nu appellante het bezwaarschrift heeft ingediend op 13 augustus 2008, is deze termijn overschreden.

4.4. De Raad volgt appellante evenmin in haar stelling dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht omdat zij met toestemming van het College in het buitenland verbleef. De Raad is van oordeel dat appellante vóór het door haar aangekondigde vertrek op 1 juli 2008 naar het buitenland mogelijk kennis had kunnen nemen van het besluit van 27 juni 2008. Bovendien is de Raad in de lijn van zijn vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 3 april 2002, LJN AE4455, van oordeel dat het verblijf van appellante in het buitenland geen belemmering vormt voor het College om op de aanvraag van appellante een besluit te nemen en dit bekend te maken. Het ligt immers op de weg van appellante om in een dergelijk geval zodanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat gewaarborgd is dat bijvoorbeeld naar aanleiding van een haar toegezonden besluit tijdig door of namens haar bezwaar - op al dan niet nader aan te geven gronden - kan worden gemaakt.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.

HD