Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09-936 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer. Niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van budgetbeheer noodzakelijk waren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat niet is gebleken van gelijke gevallen. Een door de rechter ingesteld beschermingsbewind is niet op één lijn te stellen met een door private partijen gesloten overeenkomst tot budgetbeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/936 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 januari 2009, 08/330 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2011. Voor appellante is mr. Verstraten verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 1 oktober 2007 heeft appellante bij het College een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van budgetbeheer met ingang van 1 april 2007.

1.2. Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de noodzaak van de kosten van budgetbeheer door [H.] niet aannemelijk is gemaakt, omdat het vrijwillig budgetbeheer betreft en appellante de kosten hiervan zelf moet dragen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 februari 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. De Rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2008, LJN BD9635, het besluit van 12 februari 2008 vernietigd, omdat het tot stand is gekomen zonder gedegen en volledig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de noodzaak van de kosten van vrijwillig budgetbeheer. Vervolgens heeft de rechtbank, mede naar aanleiding van het nader onderzoek en standpunt van het College, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 februari 2008 in stand blijven, omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van belang sprake was van een noodzaak tot budgetbeheer en budgetbegeleiding door [H.]. Het hoger beroep richt zich slechts tegen laatstbedoeld oordeel van de rechtbank.

4.3. Appellante is van mening dat de noodzaak tot budgetbeheer en budgetbegeleiding er wel was en heeft hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij is op 16 augustus 2006 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, waarbij [B.] als bewindvoerder is benoemd. [B.] heeft appellante de verplichting opgelegd een budgetbeheerder in de arm te nemen, opdat er geen nieuwe schulden zouden ontstaan. Appellante heeft daarom [H.] verzocht haar budget te beheren. Aangezien het budgetbeheer verplicht is opgelegd in het kader van de schuldsanering, zoals ook blijkt uit de brief van [B.] van 11 maart 2009, staat de noodzaak tot budgetbeheer vast.

4.4. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de kosten van budgetbeheer door [H.] ten tijde van belang noodzakelijk waren. De rechtbank heeft terecht doorslaggevend geacht dat de vraag waarom de door [instelling] geboden begeleiding niet voldoende is, niet is beantwoord. Appellante woonde ten tijde van belang in een woning van de Regionale Instelling voor Beschermde Woonvormen en werd daarbij begeleid door [instelling]. Appellante heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd waarom er naast de hulpverlening door [instelling] nog een noodzaak is tot budgetbeheer door [H.]. Dit klemt temeer, nu uit het in hoger beroep overgelegd foldermateriaal blijkt dat [instelling] ook voorziet in financiële begeleiding. De door appellante in hoger beroep overgelegde brief van [B.] leidt de Raad niet tot een ander oordeel, reeds omdat ook uit deze brief niet blijkt waarom de door [instelling] geboden hulp niet voldoende was. De Raad wijst er voorts op dat appellante geen verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat [B.] in deze brief schrijft dat zij in oktober 2007 het budgetbeheer dwingend aan [H.] heeft opgelegd in het kader van de schuldsaneringsregeling, terwijl appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd vanaf 1 april 2007 en een volmacht van appellante aan [H.] van 1 april 2007 heeft overgelegd. Hierbij komt dat die volmacht op briefpapier van [H.] ten onrechte veronderstelt dat [H.] bewindvoerder van appellante was.

De Raad wijst er ten slotte nog op dat appellante niet heeft voldaan aan het verzoek van het College tot indiening van een budgetplan teneinde de werkzaamheden te kunnen beoordelen.

4.5. Appellante heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Aangezien het College voor de kosten van beschermingsbewind wel bijzondere bijstand toekent, dient volgens appellante ook voor het minder zware middel van budgetbeheer bijzondere bijstand te worden toegekend. Ook heeft het College in andere gevallen wel bijzondere bijstand voor budgetbeheer toegekend, zodat ook om die reden de aanvraag van appellante had moeten worden ingewilligd.

4.6. De Raad is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen, omdat niet gebleken is van gelijke gevallen. Een door de rechter ingesteld beschermingsbewind is niet op één lijn te stellen met een door private partijen gesloten overeenkomst tot budgetbeheer. Dit andere rechtsregime rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad dat het College bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind in beginsel uitgaat van de noodzaak van die kosten en dat het College bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer verlangt dat de aanvrager de noodzaak van die kosten aannemelijk maakt. Het enkele feit dat het College in andere gevallen wel bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer heeft verleend, kan evenmin tot de conclusie leiden dat het College in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Appellante heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat het om gelijke gevallen gaat.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R.L.G. Boot.

SG