Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09-380 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij niet (redelijkerwijs) kan beschikken over het op zijn naam staande onroerend goed in Marokko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2008, 08/737 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Bos, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2011. Voor appellant is verschenen mr. Bos. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 15 juli 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een mededeling van Marktplein Centrum van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam dat appellant vermoedelijk over onroerend goed in Marokko beschikt, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan hem verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is via het Internationaal Bureau Fraude-informatie een onderzoek naar vermogen in Marokko ingesteld en is appellant gehoord.

1.3. Op basis van dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 22 november 2007, heeft het College geconcludeerd dat appellant een appartement aan het adres [adres] te [naam gemeente] in Marokko, met een waarde van € 120.000,--, op zijn naam heeft staan en dat hij van dit bezit noch bij de aanvraag om bijstand noch nadien mededeling aan het College heeft gedaan.

1.4. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 15 juli 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens, zodat geen recht op bijstand bestaat.

1.5. Bij besluit van 14 januari 2008 heeft het College het tegen het besluit van 7 december 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat ter zake van de intrekking van de bijstand in dit geding aan de bestuursrechter ter beoordeling voorligt de periode van 15 juli 2005 tot en met 7 december 2007.

4.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Naar vaste rechtspraak moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk aan te wenden voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Eveneens naar vaste rechtspraak kunnen schulden bij de vermogensvaststelling uitsluitend in aanmerking worden genomen, indien het feitelijke bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens is komen vast te staan dat aan die schulden ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant vanaf 1991 onroerend goed in Marokko op zijn naam heeft staan waarvan de waarde de voor appellant geldende grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt en dat appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het College.

4.4. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd, nu hij niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet (redelijkerwijs) kan beschikken over het op zijn naam staande onroerend goed in Marokko. De verklaringen die appellant daartoe heeft overgelegd, waarin is bepaald dat appellant het appartement niet mag verkopen of verhuren, zijn - achteraf - opgesteld door appellant en zijn vader. Voorts acht de Raad de stelling van appellant dat hij niet over de eigendomspapieren van het appartement kan beschikken, omdat deze in een kluis in Marokko liggen in dit verband ontoereikend.

4.5. Ten aanzien van de gestelde schuld aan de vader van appellant geldt evenzeer dat het bestaan ervan niet met objectieve en verifieerbare gegevens is onderbouwd. Van een reële schuld is naar het oordeel van de Raad niet gebleken.

4.6. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd tot intrekking van de bijstand met ingang van 15 juli 2005. Appellant heeft de wijze waarop het College gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid niet bestreden.

4.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en J.N.A. Bootsma en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) R.L.G. Boot.

IJ