Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP8002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-1861 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wajong. Er zijn onvoldoende, op concrete, objectieve gegevens berustende aanwijzingen om appellant arbeidsongeschikt te achten als gevolg van enige ziekte of gebrek. De door appellant overgelegde rapportage van neuropsycholoog Tesink geeft wellicht voldoende aanleiding voor het stellen van de diagnose MCDD op het 17e levensjaar, maar de vraag welke arbeidsbeperkingen hier in verband met de onderhavig arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uit voortvloeide wordt niet beantwoord. De rapportage van Psychiater Sizoo bevat geen verifieerbare gegevens om beperkingen voor arbeid aan te kunnen nemen tussen het 17e en 30e levensjaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1861 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2010, 08/3370, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2011. Namens appellant zijn verschenen mr. Voets en [ moeder]. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals die luidden tot 1 januari 1998. Met ingang van 1 januari 1998 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) in werking getreden.

1.2. Appellant, geboren [ in 1960] heeft op 19 november 2007 bij het Uwv een aanvraag ingediend om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wajong.

1.3. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2008 de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wajong.

1.4. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van

14 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit).

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard omdat het Uwv op grond van de Wajong een uitkering heeft geweigerd, terwijl op 24 april 1977 de AAW van toepassing was. De rechtbank heeft het bestreden besluit om deze reden vernietigd, maar heeft de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten.

2.2. Op grond van de beschikbare medische gegevens is de rechtbank van oordeel dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze beperkingen zijn vastgesteld op basis van het onderzoek van de verzekeringsarts dat onder andere bestond uit een heteroanamnese afkomstig van de moeder van appellant [ moeder] en informatie van de huisarts met betrekking tot een door appellant doorgemaakte psychose tijdens zijn derde studiejaar aan de TU Eindhoven in 1979. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie verkregen van de behandelend sector, waaruit naar voren kwam dat van voor 1995/1996 geen medische gegevens beschikbaar zijn. Vastgesteld is dat appellant vanaf 1996 structurele beperkingen heeft als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Op grond van alle beschikbare medische informatie is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat er per 24 april 1977 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Er zijn onvoldoende, op concrete, objectieve gegevens berustende aanwijzingen om appellant per de datum in geding arbeidsongeschikt te achten als gevolg van enige ziekte of gebrek.

2.3. In het rapport van neuropsycholoog drs. C.M.J.Y. Tesink en klinisch psycholoog

A. Spek wordt, bij een beoordeling in retrospectief, geconcludeerd dat appellant sinds de vroege kindertijd gedragskenmerken vertoond die passen bij MCDD (Multiple Complex Development Disorder). Deze stoornis geeft een hogere kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van schizofrenie. Op latere leeftijd voldoet appellant volgens de onderzoekers aan voldoende kenmerken om te spreken van schizofrenie. Verder zijn er volgens de onderzoekers eveneens gedragskenmerken zichtbaar die passen bij een autisme spectrum stoornis (ASS), maar deze zijn onvoldoende aanwezig om tot een diagnose ASS te komen en kunnen mogelijk mede verklaard worden vanuit schizofrenie. De rechtbank neemt aan dat er bij eiser sinds zijn jeugd sprake is geweest van kenmerken die passen bij de diagnose MCDD, maar in hoeverre dit op het 17e levensjaar tot beperkingen voor arbeid leidde is niet vast te stellen. Appellant heeft de middelbare school met succes afgerond en heeft van 1986 tot 1989 gedurende anderhalf jaar gewerkt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Raad van 3 juni 2008, LJN BD4453, waarin deze heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico blijft van degene die de aanvraag doet. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. Volgens appellant was hij op zijn 17e levensjaar arbeidsongeschikt vanwege de achteraf gestelde diagnose MCDD. Appellant verwijst naar de eerder overgelegde rapportage van neuropsycholoog Tesink en de in hoger beroep overgelegde rapportage van 11 januari 2011 van psychiater mr. B.B. Sizoo, hoofd Centrum Ontwikkelingsstoornissen bij Dimence GGz, te Deventer. Psychiater Sizoo heeft op basis van de informatie over appellant omschreven welke impact de vanaf zijn vroege jeugd bestaande MCDD heeft gehad op het leven van appellant. Omdat appellant de onderliggende pathologie een tijd heeft kunnen maskeren dankzij zijn cognitieve capaciteiten is het beeld dat is ontstaan door de schoolcijfers en de maanden dat appellant arbeid heeft verricht veel te eenzijdig om een goed oordeel te kunnen geven over de geschiktheid voor arbeid. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. In geding is de vraag of appellant op en na zijn 17e levensjaar (24 april 1977) arbeidsongeschikt was ingevolge de AAW. Volgens artikel 2 van het Besluit van

28 april 1980, Stb. 263, houdende de vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de AAW, kon appellant na de leeftijd van 30 jaar als student geen aanspraak maken op een AAW-uitkering.

4.3. Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd toen hij 47 jaar was. De door de moeder van appellant naar voren gebrachte omstandigheden ten tijde in geding geven een ander beeld dan appellant tijdens het verzekeringsgeneeskundige onderzoek heeft geschetst. In tegenstelling tot appellant heeft aangegeven heeft hij nooit langere periode bij een werkgever of opdrachtgever kunnen functioneren. Dit beeld past bij de in 2009 achteraf gestelde diagnose MCDD en de schizofrenie die uiteindelijk in 1996 heeft geleid tot structurele beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

4.4. De Raad is echter evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat ten tijde in geding geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De door appellant overgelegde rapportage van neuropsycholoog Tesink geeft wellicht voldoende aanleiding voor het stellen van de diagnose MCDD op het 17e levensjaar, maar de vraag welke arbeidsbeperkingen hier in verband met de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten tijde in geding uit voortvloeide wordt niet beantwoord. Psychiater Sizoo geeft in zijn rapportage aan dat appellant van jongs af aan niet in staat was zich te verhouden tot anderen zonder daarvoor een buitensporige inspanning te leveren, maar ook deze rapportage bevat geen verifieerbare gegevens om beperkingen voor arbeid aan te kunnen nemen tussen het 17e en 30e levensjaar. Omdat deze gegevens niet meer kunnen worden gereproduceerd door het tijdsverloop, ziet de Raad ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Zoals ook door de rechtbank is overwogen komt de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie en de beperkingen voor arbeid ten tijde in geding niet meer verantwoord zijn vast te stellen voor risico van degene die de verlate aanvraag doet.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

NW