Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-4107 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4107 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2010, 09/4168 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij schrijven van 20 januari 2011 een medische verklaring in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als assistent groepsleidster in een urenomvang van 36 uur per week, heeft zich op 11 september 2003 ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante in verband hiermee beperkt geacht in haar belastbaarheid. Het Uwv heeft geweigerd appellante na ommekomst van de wachttijd op 9 september 2004 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft hervat in haar eigen functie. Ingaande 19 februari 2007 heeft appellante zich opnieuw arbeidsongeschikt gemeld met psychische en lichamelijke klachten.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 5 februari 2009 vastgesteld dat er voor appellante ingaande 13 maart 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3. In bezwaar heeft het Uwv onderkend dat de arbeidsongeschiktheid terzake waarvan appellante uitkering verlangt voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor appellante destijds op 9 september 2004 minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht en recht op toekenning van een WAO-uitkering is ontzegd. Bij besluit van 16 november 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 februari 2009 gegrond verklaard, dat besluit niet langer gehandhaafd, en heeft het Uwv appellante ingaande 18 maart 2007 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellante vanwege toegenomen psychische klachten uit een postnatale depressie beperkt is in haar belastbaarheid. Door de psychische problematiek mag appellante fysiek niet zwaar belast worden en vanwege energieverlies geldt een beperking in de duurbelasting. Appellante mag tot 30 uur per week en tot maximaal 8 uur per dag arbeid verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft appellante uitgaande van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 augustus 2009 neergelegde beperkingen ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar geschikt voor andere gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 18,99%. Het Uwv heeft appellante abusievelijk een WAO-uitkering toegekend naar de klasse 25 tot 35% in plaats van 15 tot 25%.

2.1. Het Uwv heeft tijdens de procedure in eerste aanleg aangegeven dat de per februari/maart 2007 bestaande bekken-, rug- en nekklachten van appellante ten onrechte niet zijn betrokken bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.C. Swaan van 11 januari 2010 heeft het Uwv uiteengezet dat in de FML afdoende beperkingen met betrekking tot deze klachten zijn opgenomen en het meenemen van deze klachten dus geen consequenties heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig geweest is. Naar de mening van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen contact opgenomen met behandelaars. Dit is, zo stelt appellante, niet in overeenstemming met het Verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis (hierna: het Protocol). Hoewel appellante onderkent dat het Protocol eerst na de datum in geding in werking is getreden, diende de bezwaarverzekeringsarts naar de mening van appellante het Protocol materieel wel toe te passen omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek eerst in 2009 plaats heeft gevonden. Appellante heeft verder herhaald dat zij zwaarder beperkt is te achten dan door het Uwv is vastgesteld. Zij acht zich vanwege haar psychische en lichamelijk klachten niet in staat 30 uur per week arbeid te verrichten. Appellante heeft onder verwijzing naar een verklaring van haar behandelend KNO-arts dr. E. Grootere betoogd dat zij ten tijde in geding reeds kampte met reële OSAS neusklachten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest of dat appellante op de datum in geding zwaarder beperkt was dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen.

4.1.2. De Raad is van oordeel dat het beroep van appellante op het Protocol haar niet kan baten nu dit protocol op de datum waar het in deze zaak om gaat, te weten 18 maart 2007, nog niet in werking was getreden. De Raad overweegt hiertoe dat, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onder d, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Stcrt. 2006, nr. 33) van dit protocol eerst met ingang van 1 juli 2007 gebruik wordt gemaakt. Het feit dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden ná 1 juli 2007 maakt dit niet anders. Overigens is het protocol naar vaste rechtspraak van de Raad, slechts een hulpmiddel bij de rapportage en geen dwingend voorschrift. De Raad is niet gebleken dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt om andere redenen onzorgvuldig is te achten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het kader van zijn oordeelsvorming dossieronderzoek verricht, de hoorzitting bijgewoond en ingezonden informatie van de behandelend revalidatiearts en huisarts bestudeerd en meegewogen.

4.1.3. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat zij op psychische en lichamelijke gronden verdergaand beperkt is te beschouwen dan is vastgesteld door het Uwv. De bezwaarverzekeringsarts heeft rekening gehouden met de uit psychische problematiek voortkomende beperkingen, waaronder het energieverlies. Voorts zijn de fysieke klachten van appellante meegewogen en zijn terzake beperkingen in de FML opgenomen. De Raad is uit de medische stukken in het geding niet gebleken dat de aangenomen duurbeperking van 30 uur per week en maximaal 8 uur per dag niet afdoende is. De in geding gebrachte medische stukken van de revalidatiearts, psychiater en KNO-arts bieden hiervoor geen aanwijzingen. De in hoger beroep ingezonden ongedateerde medische verklaring van de behandelend KNO-arts, die betrekking heeft op een op 5 oktober 2010 verrichte ingreep, biedt naar het oordeel van de Raad geen basis voor de stelling dat appellante ten tijde in geding reeds beperkt was vanwege (lichte) OSAS-klachten. De medische kaart van appellante, opgesteld door de bedrijfsarts, biedt hiervoor evenmin aanwijzingen. De Raad ziet om deze reden geen aanleiding een deskundige te benoemen.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de in de FML van 27 augustus 2009 weergegeven belastbaarheid is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de arbeidskundige rapporten van 21 september 2009 en 16 november 2009.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.D.F. de Moor.

EK