Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-4087 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4087 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 juni 2010, 09/1054 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere medische stukken ingebracht waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011, waar appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 augustus 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 16 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit), de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 oktober 2008 ingetrokken, omdat appellante in staat wordt geacht haar eigen, maatgevende, arbeid van teamleider bij de belastingdienst voor 28,8 uur per week te verrichten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking meer heeft aangenomen, terwijl hier wel een indicatie voor is. Immers, vanwege haar rugklachten slaapt appellante slecht zodat zij overdag vermoeid is. Tevens acht zij het in strijd met de rechtszekerheid dat, terwijl jarenlang een urenbeperking in acht is genomen, deze in 2008 ondanks het gegeven dat haar klachten onveranderd voortduren, plotseling wordt ingetrokken. Uit preventief oogpunt was het, zelfs conform het beleid van het Uwv, mogelijk geweest de urenbeperking te handhaven. Ook acht zij de belasting van haar eigen werk, in verband met het te lang achtereen moeten zitten te zwaar.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2.1. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep met name de vraag aan de orde is of het Uwv met recht heeft afgezien van een urenbeperking.

4.2.2. De Raad merkt in dit verband allereerst op dat het enkele feit dat in het verleden een urenbeperking is aangenomen, niet betekent dat het Uwv gehouden is deze bij een nieuwe arbeidsongeschiktheidsbeoordeling onveranderd te handhaven, met name niet indien sprake is van veranderde medische inzichten met betrekking tot het kunnen verrichten van arbeid bij klachten als die van appellante.

4.2.3. De Raad is van oordeel dat het Uwv het laten vallen van de in het verleden aangenomen urenbeperking draagkrachtig heeft gemotiveerd. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 9 februari 2009 heeft uiteengezet is weliswaar in 2000 een urenbeperking aangenomen, maar na een herbeoordeling in 2001 is deze (deels) komen te vervallen. De urenbeperking is in 2003 door de verzekeringsarts, zonder het verrichten van lichamelijk onderzoek en uitsluitend op basis van de anamnese van appellante, wederom in aanmerking genomen waarbij deze arts zich heeft gericht op het aantal uren (17 á 18) dat zij op dat moment werkte. Bij de onderhavige herbeoordeling is echter niet gebleken van objectiveerbare medische gegevens op grond waarvan een urenbeperking geïndiceerd is. Hiertoe acht de Raad van belang dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van zelfstandig medisch onderzoek geen functiebeperkingen heeft geconstateerd aan de bekken en wervelkolom van appellante en geen psychische beperkingen heeft waargenomen. Het dagverhaal van appellante laat volgens de bezwaarverzekeringsarts geen aanwijzing zien voor een indicatie voor een urenbeperking. Ook van de zijde van appellante zijn geen medische gegevens in het geding gebracht die een deugdelijke, objectieve, basis kunnen zijn voor het aannemen van een urenbeperking. Ook het beroep dat appellante (kennelijk) doet op de standaard verminderde arbeidsduur slaagt niet; hetgeen daarin is vermeld over het – om energetische redenen – niet meer toekomen aan het privéleven betreft niet de situatie van appellante.

4.3. Met de rechtbank ziet de Raad evenmin aanleiding voor twijfel aan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante gezien de vastgestelde belastbaarheid en de geconstateerde belasting geschikt was te achten voor haar maatgevende arbeid. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat haar maatgevende arbeid in medisch opzicht niet passend zou zijn. Gelet op het feit dat appellante in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 juli 2008 slechts licht beperkt is geacht bij het item “zitten tijdens het werk” (dat wil zeggen dit is het grootste deel van de dag mogelijk) en er geen beperking is aangegeven bij het item “afwisseling van houding”, is aannemelijk dat de zit-belasting van de functie niet te zwaar is voor appellante; bovendien is gelet op de aard van de functie de mogelijkheid van vertreding in enige vorm aanwezig. De Raad merkt nog op, dat appellante ter zitting bij de Raad desgevraagd heeft meegedeeld dat niet zozeer de zwaarte van de maatgevende arbeid een probleem vormt, maar het aantal te werken uren per week (28,8 uur). Zoals in 4.2.3 is overwogen wordt appellante echter in staat geacht 8 uur per dag en 40 uur per week te kunnen werken, zodat de maatgevende arbeid in dit opzicht passend is.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.D.F. de Moor.

NK