Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10-4184 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAI-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Er zijn geen redenen om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De wijze waarop door de bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld gehandeld is naar aanleiding van het in het rapport van de psychologen De Vocht en Van Stuijvenberg opgenomen advies ten aanzien van een urenbeperking verdient, zoals ter zitting door het Uwv is erkend, geen schoonheidsprijs. De Raad is echter van oordeel dat (...) voldoende gemotiveerd is toegelicht waarom het aannemen van een medische urenbeperking, bij appellante niet noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4184 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juni 2010, 08/2934 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Kort, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 8 april 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 september 2008 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat voor appellante per 11 februari 2008 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante door de verzekeringsarts is onderzocht en dat deze arts een psychologisch onderzoek heeft laten verrichten door drs. S.A.M. de Vocht en C.G. van Stuijvenberg, werkzaam bij Vermeulen & van Limpt psychologen. Het door deze psychologen uitgebrachte rapport van 12 februari 2008 is door de verzekeringsarts bij de vaststelling van de bij appellante aanwezige beperkingen betrokken. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig is geweest en alle relevante medische gegevens bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft in de beschikbare medische stukken geen argumenten aangetroffen om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen. Daarbij heeft de rechtbank voorts overwogen dat de bezwaarverzekeringarts deugdelijk gemotiveerd heeft aangegeven dat er geen medische grondslag is om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat van de zijde van appellante geen medische gegevens in het geding zijn gebracht op grond waarvan de bezwaarverzekeringsarts, in verband met appellantes rugklachten, zwaardere beperkingen had moeten aannemen. Tot slot heeft de rechtbank, ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit, geoordeeld dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 maart 2008 voldoende rekening is gehouden met de psychische beperkingen van appellante en dat de bezwaarverzekeringsarts op inzichtelijke wijze uiteengezet heeft dat de gezondheidstoestand van appellante een urenbeperking niet noodzakelijk maakt, nu in de FML voldoende rekening is gehouden met haar beperkte energetische belastbaarheid en er in de onderhavige situatie niet is voldaan aan de voorwaarden, zoals neergelegd in de “Standaard verminderde arbeidsduur”.

2.2. De rechtbank heeft ten aanzien van het arbeidskundige gedeelte van de aangevochten besluitvorming overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 10 november 2009 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de geduide functies huishoudelijk medewerker (SBC-code 111133) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111134) functie-inhoudelijk meer dan 35% van elkaar verschillen en als verschillende in Nederland uitgeoefende functies zijn te beschouwen. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 22 september 2008 toereikend heeft gemotiveerd waarom de geduide functies, te weten de eerder genoemde functies van huishoudelijk medewerker, huishoudelijk medewerker gebouwen en de functie inpakker (SBC-code 111190) de belastbaarheid van appellante niet overschrijden en terecht aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd.

2.3. Nu naar het oordeel van de rechtbank niet bij het bestreden besluit, maar pas in de beroepsfase de gewenste toelichting en/of motivering van alle door het systeem aangebrachte signaleringen door de bezwaararbeidsdeskundige is gegeven, komt het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking. Omdat dit gebrek in de beroep is hersteld heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en heeft zij voorts beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist en daartoe -nogmaals- gesteld dat het Uwv haar met name psychische beperkingen heeft onderschat, dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld en dat zij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

4.1. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden de artsen naast de bevindingen uit het spreekuurcontact en de informatie van de behandelend sector de beschikking over het rapport van Vermeulen & van Limpt psychologen van 12 februari 2008. Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen zoals beschreven in de FML van 4 maart 2008 ontoereikend zijn. De wijze waarop door de bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld gehandeld is naar aanleiding van het in het rapport van de psychologen De Vocht en Van Stuijvenberg opgenomen advies ten aanzien van een urenbeperking verdient, zoals ter zitting door het Uwv is erkend, geen schoonheidsprijs. De Raad is echter van oordeel dat gelet op de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen van 19 september 2008 en 18 juli 2009 voldoende gemotiveerd is toegelicht waarom het aannemen van een medische urenbeperking, bij appellante niet noodzakelijk is.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid heeft de Raad evenmin aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de ten behoeve van de schatting geselecteerde functies voor appellante niet geschikt zouden zijn.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

IvR