Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP7987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10/4479 WIA + 10/4480 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt en geen toename van de arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4479 WIA

10/4480 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 30 juni 2010, 09/1014 en 10/517 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarbij een rapport van een bezwaarverzekeringsarts gevoegd was.

Bij brief van 5 januari 2011 heeft mr. G.B.A. Bol, eveneens werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, zich in de plaats van mr. Tracey als gemachtigde van appellante gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 21 augustus 2009 door het Uwv bekend gemaakte besluit (hierna: bestreden besluit I). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 23 april 2009 dat voor appellante met ingang van 19 mei 2009 geen recht op uitkering is ontstaan omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

1.3. Het beroep richt zich voorts tegen het eveneens ter uitvoering van de Wet WIA op 7 april 2010 door het Uwv bekend gemaakte besluit (hierna: besluit II). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 6 januari 2010 waarbij appellante een uitkering ingevolge deze wet met ingang van 24 juni 2009 wordt geweigerd omdat zij niet toegenomen arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft de beroepen gevoegd behandeld en bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar eerder in bezwaar en beroep naar voren gebrachte stellingen herhaald. Zij is van mening dat haar medische beperkingen door het Uwv onjuist zijn ingeschat en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep informatie van haar behandelend neuroloog overgelegd. Voorts is appellante van mening dat zij vanwege haar klachten niet in staat is arbeid te verrichten.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank genoegzaam is ingegaan op de gronden van appellante. In hoger beroep zijn geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep, met betrekking tot de beide data in geding, objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals neergelegd in de vanwege het Uwv vastgestelde Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2009.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank en op basis van dezelfde overwegingen, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit I ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch en arbeidskundig opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.4. Voorts is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv op juiste gronden geen toegenomen arbeidsongeschiktheid per 24 juni 2009 heeft aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts geeft in zijn rapport van 31 maart 2010 gemotiveerd aan dat de toegenomen rug- en heupklachten niet resulteren in een aanscherping van eerder genoemde FML nu daarin al relevante beperkingen ten aanzien van knielen en hurken zijn aangenomen. Hierbij heeft hij mede informatie van de huisarts en behandelend neurochirurg meegewogen. De Raad heeft geen aanleiding gevonden het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P. Boer.

JL